Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4455

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-12-2014
Datum publicatie
12-01-2015
Zaaknummer
13-1270 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een wajong-uitkering toe te kennen. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1270 WWAJ

Datum uitspraak: 29 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

4 februari 2013, 12/1229 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats](appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 4 november 2014 heeft de gemachtigde van appellante nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2014. Appellante is verschenen met bijstand van mr. E.G.W. Hendriks. Namens appellante heeft ook [naam N.] het woord gevoerd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Boelen.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 22 februari 2012 heeft het Uwv de aanvraag van appellante, geboren

[in] 1991, voor een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) afgewezen. Daaraan ligt een rapport van de verzekeringsarts van het Uwv van 25 januari/9 februari 2012 ten grondslag. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 30 mei 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep verwezen naar de in beroep aangevoerde gronden. Zij is van oordeel dat, gezien het medisch dossier, voldoende gegevens voorhanden zijn om tot het oordeel te komen dat zij wel aan de voorwaarden voldoet om in aanmerking te komen voor een Wajong-uitkering. Voorts voert appellante aan dat een expertiserapport noodzakelijk was. Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat op grond van de beschikbare medische informatie, waaronder gegevens van de huisarts, er op of rond het 17e en 18e levensjaar geen argumenten naar voren komen die in de richting van een arbeidsongeschiktheid kunnen wijzen, is onjuist. Dit omdat appellante al jaren anti-depressiva gebruikt en is doorverwezen naar psychologische hulp. Bovendien heeft appellante gewezen op de in hoger beroep bij brief van 4 november 2014 ingezonden medische stukken, onder meer afkomstig van R. de Meijer, psychiater.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

De rechtbank heeft de aanvraag van appellante terecht beoordeeld aan de hand van de bepalingen van hoofdstuk 2 van de met ingang van 1 januari 2010 geldende Wet Wajong, nu appellante haar aanvraag na 1 januari 2010 heeft ingediend.

4.2.

Ingevolge artikel 2:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong heeft de jonggehandicapte op aanvraag recht op arbeidsondersteuning op grond van hoofdstuk 2 van deze wet, indien hij sinds de dag waarop hij jonggehandicapte werd niet in staat is gebleven meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen.

4.3.

In artikel 2:3, eerste lid, van de Wet Wajong is bepaald dat als jonggehandicapte moet worden aangemerkt de ingezetene die aansluitend op zijn 17e verjaardag gedurende 52 weken als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is geweest met arbeid meer dan 75% te verdienen van het maatmaninkomen.

4.4.

De rechtbank heeft terecht geen reden gezien voor twijfel aan het medisch oordeel van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep een zorgvuldig onderzoek hebben verricht naar de vaststelling van de eventuele arbeidsbeperkingen op het in geding zijnde beoordelingsmoment, en dat beide artsen een eigen onderzoek hebben verricht en kennis hebben genomen van informatie van de huisarts. De in hoger beroep aangevoerde grond dat het Uwv een expertise had moeten laten verrichten slaagt niet, omdat niet gebleken is dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep over onvoldoende medische gegevens beschikte om zijn oordeel op te baseren.

4.5.

Vastgesteld moet worden dat de verzekeringsarts in zijn eerder genoemd rapport constateert dat appellante op dat moment niet onder behandeling van een psycholoog of psychiater was of was geweest, terwijl de gegevens van de huisarts niet, althans voor de periode tot eind 2009, wijzen in de richting van (enige) psychopathologie. Nu verdere gegevens ontbreken heeft hij twijfel uitgesproken over de vraag of wel van ongeschiktheid tot werken op grond van ziekte of gebrek gesproken kan worden in de hier relevante periode van februari 2008 tot februari 2009. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zulks (in feite) onderschreven. Appellante heeft in bezwaar noch in beroep stukken overgelegd die haar standpunt zouden kunnen ondersteunen. De in hoger beroep - eerst - bij brief van

4 november 2014 in geding gebrachte rapporten - die grotendeels in 2013 of later zijn opgesteld - betreffen niet de in geding zijnde periode van februari 2008 tot februari 2009. Voor zover daaruit zou zijn af te leiden dat appellante al rond haar vijftiende jaar last had van psychische klachten, volgt daaruit geenszins dat er al in de in geding zijnde periode sprake was van zodanige uit ziekte of gebrek voortvloeiende beperkingen dat zij toen buiten staat was om 75% van het maatmanloon te verdienen.

4.6.

Voor het benoemen van een deskundige ziet de Raad, gelet op hetgeen in 4.4 en 4.5 is overwogen, geen aanleiding.

4.7.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.6 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Bij deze beslissing is voor een veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente geen aanleiding.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 december 2014.

(getekend) J. Riphagen

(getekend) V. van Rij

CVG