Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4453

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
12-01-2015
Zaaknummer
14-2543 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit het verhandelde ter zitting is de Raad overigens niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan tot het oordeel zou kunnen worden gekomen dat appellant met hetgeen in de brief van 18 oktober 2013 is vermeld op enigerlei wijze tekort is gedaan. Voor het uitkeren van een bedrag van € 2.902,13 aan appellant, terwijl dit bedrag niet is besteed, bestaat geen grond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2543 AWBZ

Datum uitspraak: 24 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
28 maart 2014, 13/1545 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

Stichting Zorgkantoor Menzis (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft zijn vader en wettelijk vertegenwoordiger, A.G. ten Vregelaar, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november. Voor appellant zijn verschenen [naam V.] en zijn moeder [naam moeder]. Het Zorgkantoor heeft zich, zoals vooraf bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. Partijen hebben gestreden over de verantwoording van een aan appellant op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten toegekend persoonsgebonden budget (pgb) over 2011 en 2012.

1.1.

Bij besluit van 18 oktober 2013 heeft het Zorgkantoor aan appellant te kennen gegeven dat de door hem over 2011 bij zorgverlener Kumufit ingekochte zorg alsnog geheel wordt geaccepteerd. Daarmee is het pgb over 2011 volledig verantwoord en hoeft appellant over 2011 niets terug te betalen. Met betrekking tot het pgb over 2012 heeft het Zorgkantoor medegedeeld dat aan appellant een pgb was toegekend tot een bedrag van € 7.385,88. Op dat bedrag is de vordering over 2011 tot een bedrag van € 3.094,35 in mindering gebracht, zoals achteraf is gebleken ten onrechte. Het ten onrechte ingehouden voorschot over 2011 wordt daarom aan appellant nabetaald. Nu appellant over 2012 slechts een bedrag van € 4.483,75 heeft verantwoord, wordt het pgb over 2012 op dat bedrag vastgesteld. Als gevolg hiervan dient appellant € 2.902,13 terug te betalen. Dit bedrag is inmiddels in mindering gebracht op de uitbetaalde voorschotten pgb over 2013.

1.2.

Bij brief van 13 november 2013 heeft appellant aan de rechtbank medegedeeld dat er geen inhoudelijke bezwaren bestaan tegen het besluit van 18 oktober 2013.

2. Omdat appellant het eens is met het besluit van 18 oktober 2013 heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - het beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard, wegens het ontbreken van procesbelang.

3. Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en gesteld dat hij zich neerlegt bij het door de rechtbank gegeven oordeel. Appellant heeft ter zitting van de Raad zijn hoger beroepsschrift nader geduid en betoogd dat hij het wel inhoudelijk eens is met de uitspraak van de rechtbank maar dat hij een oordeel mist over het bedrag van € 2.902,13 dat in 2012 ten onrechte niet aan hem is uitgekeerd.

4.1.

De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt. In het besluit van 18 oktober 2013 is uitdrukkelijk opgenomen dat een bedrag van € 2.902,13 moet worden terugbetaald, omdat voor dit bedrag geen zorg is ingekocht. Eveneens is vermeld op welke wijze dit bedrag feitelijk is verrekend. Appellant heeft in zijn brief van 13 november 2013 zonder voorbehoud de rechtbank meegedeeld dat hij het met het besluit van 18 oktober 2013 eens is. Een geschil ter zake van dit punt bestond bij de rechtbank daarom niet. Voor de opvatting van appellant dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over het bedrag van € 2.902,13 is dan ook geen plaats.

4.2.

Ook uit hetgeen appellant ter zitting bij de Raad naar voren heeft gebracht volgt niet dat er op het in 4.1 bedoelde punt nog een geschil bestaat. Het door appellant ter zitting van de Raad ingenomen standpunt dat hij ervoor heeft gekozen het bedrag van € 2.902,13 niet aan zorg te besteden, omdat voor hem niet duidelijk was of het Zorgkantoor de zorg verleend door Kumufit zou accepteren, leidt geenszins tot het oordeel dat het standpunt van het Zorgkantoor wordt bestreden dat appellant meerbedoeld bedrag niet aan zorg heeft besteed.

4.3.

Uit het verhandelde ter zitting is de Raad overigens niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan tot het oordeel zou kunnen worden gekomen dat appellant met hetgeen in de brief van 18 oktober 2013 is vermeld op enigerlei wijze tekort is gedaan. Voor het uitkeren van een bedrag van € 2.902,13 aan appellant, terwijl dit bedrag niet is besteed, bestaat geen grond.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) D. van Wijk

NW