Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4440

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-12-2014
Datum publicatie
08-01-2015
Zaaknummer
13-2864 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen aanknopingspunten dat het medisch oordeel van de verzekeringsartsen niet juist is. De geduide functies gelet op de daaraan verbonden belasting in medisch opzicht geschikt voor appellant. Arbeidsmarktaspecten worden niet bij de beoordeling betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/2864 WIA

Datum uitspraak: 29 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

24 april 2013, 12/11712 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. O. Arslan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift met bijlage ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2014. Appellant is verschenen, bijgestaand door mr. O. Arslan. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.L. van Beek.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als ijzervlechter. In november 2010 heeft hij

deze werkzaamheden gestaakt in verband met schouder-, rug- en psychische klachten. Tevens had appellant klachten met betrekking tot zijn enkel.

1.2.

Bij besluit van 29 oktober 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht

op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij met ingang van 29 oktober 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 30 november 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij vanwege zijn fysieke

klachten meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen. Appellant heeft tijdens en na de bezwaarfase meerdere operaties aan zijn enkel ondergaan en ondervindt hiervan nog steeds problemen. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant verschillende medische stukken van zijn behandeld artsen overgelegd, waaruit volgens hem blijkt dat hij nog steeds fysieke klachten heeft en dat hij lijdt aan osas, waardoor hij moeilijk slaapt en overdag vermoeid is. Tot slot voert appellant aan dat hij door zijn gezondheidstoestand slechte kansen op de arbeidsmarkt heeft, waardoor het arbeidsongeschiktheidspercentage van 35% opgeschaald moet worden.

3.2.

Het Uwv heeft onder overlegging van een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en

beroep van 19 augustus 2013 verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek waarop de

schatting is gebaseerd zorgvuldig is en dat er geen aanknopingspunten zijn voor het standpunt dat het medisch oordeel van de verzekeringsartsen niet juist is. Appellant is door de verzekeringsartsen onderzocht en voorts had de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beschikking over informatie van de behandelend orthopedisch chirurg. De verzekeringsartsen hebben met de fysieke en psychische klachten van appellant rekening gehouden. Door appellant is geen informatie verstrekt die doet twijfelen aan juistheid van de beperkingen die opgenomen zijn in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 oktober 2012.

4.2.

De in hoger beroep overgelegde medische stukken van de behandelend artsen bevatten

geen nieuwe medische informatie waaruit volgt dat appellant op de datum in geding, te weten 29 oktober 2012, meer beperkingen ondervond dan de beperkingen waarvan de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML zijn uitgegaan. De Raad kan zich dienaangaande geheel vinden in de beschouwingen en de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 19 augustus 2013. Met de problematiek van de enkel is rekening gehouden bij het vaststellen van de beperkingen. De primaire verzekeringsarts heeft de enkel onderzocht, informatie opgevraagd bij de behandeld orthopedisch arts en beperkingen vermeld ten aanzien van de belastbaarheid. Ook met de rug- en schouderklachten is rekening gehouden. Het feit dat appellant nog steeds fysieke klachten heeft is onderkend en is bij de beoordeling betrokken. Ook de osas vormt geen aanleiding tot het aannemen van verdere beperkingen, nu uit de informatie van de longarts blijkt dat sprake is van een lichte en houdingsafhankelijke osas. Voorts vormt de overige in hogere beroep verstrekte medische informatie ook geen aanleiding tot een ander oordeel ten aanzien van de belastbaarheid te komen, omdat hieruit geen nieuwe gegevens blijken over de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding.

4.3.

Uitgaande van de juistheid van de FML, heeft de rechtbank eveneens terecht geoordeeld

dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, gelet op de daaraan verbonden belasting in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

4.4.

Met betrekking tot wat appellant heeft aangevoerd over zijn kansen op de arbeidsmarkt

merkt de Raad op dat, gelet op artikel 6, tweede lid, van de Wet WIA, bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing dient te worden gelaten of appellant de arbeid feitelijk kan verkrijgen.

4.5.

Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt

en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 december 2014.

(getekend) H. van Leeuwen

(getekend) A.C. Oomkens

CVG