Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4436

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
08-01-2015
Zaaknummer
13-4712 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buitenlandbijdrage Zvw. In artikel 69 van de Zvw is de bijdrageplicht voor in het buitenland wonende personen vastgelegd. Bij de vaststelling van de bijdrageplicht en de hoogte hiervan speelt de financiële situatie van de verdragsgerechtigde geen rol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4712 ZVW

Datum uitspraak: 10 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
10 juli 2013, 12/5255 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (Duitsland) (appellant)

Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) zijn de bevoegdheden van Cvz per

1 april 2014 overgegaan naar het Zorginstituut. In deze uitspraak wordt onder Zorginstituut mede verstaan Cvz.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2014. Appellant is niet verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant woont sinds januari 2009 in Duitsland en ontvangt een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1.2.

Mede gelet op de met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden Zorgverzekeringswet (Zvw) is appellant door het Zorginstituut - per 10 januari 2009 - als verdragsgerechtigde aangemerkt en had hij op grond van de Verordening EEG nr. 1408/71 (Vo. 1408/71) recht op zorg in zijn woonland, ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg is op grond van artikel 69 van de Zvw een bijdrage verschuldigd (de buitenlandbijdrage). Appellant heeft zich met een E-121 formulier ingeschreven bij het bevoegde orgaan van zijn woonplaats. Door dit orgaan, Signal Iduna Ikk te Herford, is op 25 juni 2009 bevestigd dat appellant met ingang van 10 januari 2009 in Duitsland is ingeschreven voor medische zorg en dat de kosten van die zorg ten laste van Nederland komen.

1.3.

Bij besluit van 7 mei 2012 heeft het Zorginstituut de definitieve jaarafrekening voor 2009 vastgesteld, waarbij de buitenlandbijdrage over 2009 is bepaald op € 1.955,10.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 7 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het Zorginstituut het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het Zorginstituut de buitenlandbijdrage overeenkomstig de wettelijke regelgeving heeft vastgesteld.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat hij over 2009 geen buitenlandbijdrage verschuldigd is omdat zijn inkomen niet toereikend is en omdat in Duitsland een insolventieprocedure loopt.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.

In artikel 69 van de Zvw is - kort gezegd - de bijdrageplicht voor in het buitenland wonende personen vastgelegd. Bij de vaststelling van de bijdrageplicht en de hoogte hiervan speelt de financiële situatie van de verdragsgerechtigde geen rol. Reeds hierom heeft het hoger beroep geen doel.

4.2.

Ter voorlichting van appellant wijst de Raad erop dat het Zorginstituut ter zitting heeft gesteld dat appellant kan verzoeken een betalingsregeling te treffen.

4.3.

Uit hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) D. van Wijk

RB