Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4435

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
09-01-2015
Zaaknummer
11-7574 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling van de verschuldigdheid en de hoogte van de bijdrage als bedoeld in artikel 69 van de Zorgverzekeringswet (Zvw). De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellant in een situatie verkeert waarin artikel 13, tweede lid, onder f, van de Verordening niet van toepassing is en de conflictregels van artikel 28 en 28bis toepassing dienen te vinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/7574 ZVW, 12/347 ZVW, 12/352 ZVW, 13/4537 ZVW, 13/4552 ZVW, 13/4553 ZVW

13/4554 ZVW, 13/4555 ZVW

Datum uitspraak: 17 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van

9 december 2011, 08/1022 en 08/2699, van 9 december 2011, 11/975 en van 12 juli 2013, 12/4975, 12/4977, 12/4978 en 12/4979 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (Spanje), (appellant)

Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel II, tweede lid, aanhef en onder b, van de - met ingang van 1 augustus 2008 in werking getreden - Wet van 29 mei 2008 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet in verband met de rechtsgang bij inhouding van de bijdrage van verdragsgerechtigden (rechtsgang bronheffing verdragsgerechtigden) (Stb. 278) is Cvz als procespartij in aanhangige gedingen in de plaats getreden van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv). In deze uitspraak wordt onder Cvz voor zover nodig tevens begrepen het Uwv.

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliƫntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) zijn de bevoegdheden van Cvz per
1 april 2014 overgegaan naar Zorginstituut. In deze uitspraak wordt onder Zorginstituut mede verstaan Cvz.

Appellant heeft hoger beroepen ingesteld.

Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant en Zorginstituut hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2014. Appellant is verschenen en voor wat betreft de zaken genummerd 12/347 ZVW en 12/352 ZVW bijgestaan door
mr. M.J.H. Roebroek. Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is sinds 2002 woonachtig in Spanje en ontvangt slechts inkomen uit Nederland.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank geoordeeld over de beslissingen op bezwaar gedateerd 4 februari 2008, 20 mei 2008, 31 januari 2011, 21 maart 2011,
6 augustus 2012 en 6 september 2012. Bij deze besluiten is - voor zover hier van belang - de verschuldigdheid en de hoogte van de bijdrage als bedoeld in artikel 69 van de Zorgverzekeringswet (Zvw) met betrekking tot de jaren 2006 tot en met 2010 vastgesteld.

3. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - de beroepen tegen de onder 2 genoemde besluiten ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de Verordening (EEG) 1408/71 (Verordening) op appellant van toepassing is. Niet is gebleken van een Spaans inkomen of pensioen op grond waarvan appellant een wettelijk recht op medische zorg in Spanje zou hebben en er is evenmin een aanknopingspunt dat de kosten van prestaties bij ziekte op grond van artikel 27 van de Verordening voor rekening van Spanje zouden moeten komen. Verder zijn de artikelen 29, tweede lid, en 28bis van de Verordening op appellant van toepassing en heeft de rechtbank appellant niet gevolgd in zijn stelling dat deze artikelen niet van toepassing zijn, omdat hij in Spanje woont en omdat hij op grond van ingezetenschap in Spanje is verzekerd. Artikel 28bis van de Verordening voorziet naar de rechtbank heeft overwogen nu juist in een regeling voor een uitkeringsgerechtigde die in het land waarin hij woont recht heeft op zorg op grond van ingezetenschap.

3.1.

Appellant heeft zich in zijn hoger beroepschriften onder aanvoering van gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Ter zitting heeft appellant aangevoerd dat hij zich slechts wenst te beroepen op de gronden die hij bij zijn brief van 15 september 2014 heeft ingediend.

3.2.

Appellant heeft in zijn brief van 15 september 2014, zoals toegelicht ter zitting, gesteld dat artikel 69 van de Zvw niet op hem van toepassing is, zodat hij niet bijdrageplichtig is als in dat artikel bedoeld. Dit omdat de conflictregels opgenomen in artikel 28 en 28bis van de Verordening in zijn geval toepassing missen, althans zo dienen te worden uitgelegd dat deze regels in zijn geval geen oplossing bieden. Appellant heeft gesteld dat hij met zijn hoger beroep wenst te bewerkstelligen dat noch artikel 28, noch artikel 28bis van de Verordening toepassing vindt. Hij wenst vastgesteld te krijgen dat slechts de Spaanse wetgeving op hem van toepassing is.

3.3.

Appellant heeft desgevraagd uitdrukkelijk gesteld dat zijn beroep slechts betrekking heeft op het oordeel van de rechtbank dat Zorginstituut terecht heeft vastgesteld dat hij bijdrageplichtig is. Naar appellant heeft gesteld richt het hoger beroep zich niet tegen de wijze waarop de bijdrage is vastgesteld, noch tegen de hoogte van de vastgestelde bijdrage.

4. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt. De Raad heeft reeds in eerdere uitspraken (bijvoorbeeld de uitspraak van 7 september 2011, ECLI:CRVB:2011:BT1941) verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 14 oktober 2010, C-345/09, Van Delft e.a. punten 45 tot en met 49, waarin het Hof heeft overwogen dat artikel 13, tweede lid, onder f, van de Verordening van toepassing is op personen die iedere activiteit definitief hebben gestaakt, echter alleen voor zover de bijzondere bepalingen van titel III van dezelfde Verordening niet in uitzonderingen voorzien. De artikelen 28 en 28bis staan in titel III van die verordening en wijken van die algemene regels in titel II af voor wat betreft de verstrekkingen bij ziekte aan rechthebbenden op een pensioen of rente die wonen in een andere lidstaat dan de staat die het pensioen of rente verschuldigd is. Voor deze personen bevatten de artikelen
28 en 28bis zogenaamde conflictregels om uit te maken welk orgaan de in die artikelen bedoelde prestaties moet verlenen en welke wetgeving van toepassing is (arrest Van Delft, punt 38 en ook het arrest van het Hof van 10 oktober 2013, C-321/12, Van der Helder en Farrington, punt 31).

5. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant iedere activiteit definitief heeft gestaakt. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de inkomsten die appellant geniet dienen te worden aangemerkt als pensioen of rente als bedoeld in de artikelen 28 en 28bis van de Verordening.

6. Uit hetgeen is overwogen in 4 en 5 volgt dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat appellant in een situatie verkeert waarin artikel 13, tweede lid, onder f, van de Verordening niet van toepassing is en de conflictregels van artikel 28 en 28bis toepassing dienen te vinden.

7. Het standpunt van appellant als bedoeld in 3.2 inhoudende dat de artikelen 28 en 28bis van de Verordening geen sluitende regeling bevat om uit te maken welk orgaan de in die artikelen bedoelde prestaties moet verlenen en welke wetgeving van toepassing is vindt noch steun in de tekst van de Verordening, noch steun in de ontstaansgeschiedenis van de artikelen 28 en 28bis van de Verordening - de Raad wijst in dit verband op de invoering van artikel 28bis van de Verordening bij Verordening EEG (nr. 2864/72) - noch steun in het onder 4 bedoelde arrest Van Delft.

8. Uit de conflictregels volgt welk orgaan de in die artikelen bedoelde prestaties moet verlenen en welke wetgeving van toepassing is. Anders dan appellant meent vloeit uit de conflictregels niet voort dat bewezen dient te worden dat Nederland de zorglasten voor in Spanje wonende Nederlanders altijd voor zijn rekening dient te nemen. Ook vloeit uit de conflictregels niet voort dat Nederland bij het aanvaarden van zorglasten discretionaire ruimte heeft. Het standpunt van appellant inhoudende dat bij de toepassing van de conflictregels slechts dient te worden gekeken naar de Spaanse - en in het bijzonder de
Catalaanse - wetgeving vindt geen steun in de Verordening.

9. Het door appellant ter zitting ingenomen standpunt dat aan verstrekkingen in Cataloniƫ voorwaarden zijn verbonden als bedoeld in artikel 28bis van de Verordening behoeft geen inhoudelijke bespreking. Nog daargelaten dat met voorwaarden bedoeld in artikel 28bis van de Verordening niet wordt gedoeld op in verzekeringen voorkomende voorwaarden die zien op de afbakening en regulering van verstrekkingen, maar op de koppeling aan de verzekering op grond van ontvangen wettelijke uitkeringen dan wel een koppeling aan het al dan niet in loondienst verrichten van werkzaamheden - de Raad wijst op zijn uitspraak van
17 december 2014, ECLI:NL:CRvB:2014:4331 - kan beoordeling van deze beroepsgrond, gelet op overweging 7, niet leiden tot het door appellant beoogde doel, inhoudende dat noch artikel 28 noch artikel 28bis van de Verordening van toepassing is.

10. Uit hetgeen is overwogen in 4 tot en met 9 volgt dat het hoger beroep geen doel treft en de aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten, dienen te worden bevestigd.

11. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2014.

(getekend) K. de Jong

(getekend) J. Brand

QH