Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4432

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
08-01-2015
Zaaknummer
13-2993 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevoegde indicatieorgaan voor AWBZ-zorg voor een jeugdige. CIZ heeft zich terecht niet bevoegd geacht om te besluiten over de AWBZ-zorg voor appellant, voor zover deze zorg verband houdt met de psychiatrische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2993 AWBZ, 14/243 AWBZ

Datum uitspraak: 10 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

24 april 2013, 12/1313 (aangevallen uitspraak I) en 4 december 2013, 13/4522 (aangevallen uitspraak II)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

CIZ

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Wernik, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

CIZ heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2014. Voor appellant is verschenen zijn moeder, L. Garcia, bijgestaan door mr. Wernik. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.R. Kater.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren op [datum] 1995, is bekend met diabetes mellitus

type I met moeilijk instelbare glucosewaarden en AD(H)D. Sinds augustus 2011 verblijft appellant in Den Haag bij het gezin van [naam], gedragstherapeute.

1.2.

Om in de hulpvraag met betrekking tot het verblijf bij[naam] te voorzien heeft Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland (Bjz) bij besluit van 9 september 2011 aan appellant een indicatie ingevolge de Wet op de jeugdzorg afgegeven voor netwerkpleegzorg. Ook is appellant voor de periode van 9 september 2011 tot en met 8 maart 2012 geïndiceerd voor begeleiding individueel, klasse 5.

1.3.

Nadat appellant Bjz te kennen heeft gegeven geen gebruik te willen maken van de geïndiceerde netwerkpleegzorg, heeft Bjz appellant bij besluit van 21 maart 2012 alleen nog geïndiceerd voor begeleiding individueel voor de periode van 9 maart 2012 tot en met

20 september 2012. Deze indicatie is tot op heden telkens ongewijzigd verlengd.

13/2993

1.4.

Appellant heeft op 2 augustus 2011 bij CIZ een indicatie voor zorg ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) aangevraagd. Hij wil daarmee onder meer bereiken dat zijn verblijf bij het gezin van [naam] kan worden bekostigd.

1.5.

Bij besluit van 10 augustus 2011 heeft CIZ appellant voor de periode van 8 augustus 2011 tot en met 31 december 2011 geïndiceerd voor verpleging, klasse 4

(7 tot 9,9 uur per week).

1.6.

Bij besluit van 4 januari 2012 heeft CIZ het tegen het besluit van 10 augustus 2011 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.7.

Appellant heeft tegen het besluit van 4 januari 2012 beroep ingesteld. Hangende het beroep heeft CIZ het besluit van 4 januari 2012 ingetrokken en het besluit van 9 maart 2012 hiervoor in de plaats gesteld. In dit besluit is de einddatum van de geïndiceerde verpleging ambtshalve verlengd tot en met 31 december 2012. CIZ stelt zich, onder verwijzing naar het onderzoek van medisch adviseur H.M. Laane van 18 november 2011, op het standpunt dat op basis van de aandoeningen van appellant sprake is van de grondslagen somatiek en psychiatrie. Voor CIZ is voor de indicatiestelling alleen de grondslag somatiek relevant, omdat de beoordeling van de zorg op de grondslag psychiatrie thuishoort bij Bjz. Op grond van de aard van de aandoening (diabetes mellitus) en de leerbaarheid van appellant bestaat een onderbouwing voor dagelijkse verpleegkundige begeleiding bij het uitvoeren van zelfzorg voor de duur van drie maanden. Het gaat hierbij om het eigen maken van de leefregels en het gebruik van medicatie. Laane acht verder slechts lichte beperkingen op het gebied van sociale redzaamheid, bewegen en verplaatsen, alsmede psychisch functioneren aanwezig. Op basis hiervan bestaat geen aanspraak op de zorgfunctie begeleiding. Ten slotte is er geen onderbouwing van de noodzaak voor een beschermende woonomgeving en/of therapeutisch leefklimaat.

1.8.

In reactie op de door appellant in beroep overgelegde stukken, is in het advies van

23 oktober 2012 van Laane en het aanvullend advies van 30 november 2012 van medisch adviseur W. van Bork nogmaals geconcludeerd dat er onvoldoende onderbouwing is voor een 24-uurs beschermende woonomgeving. Appellant moet in staat worden geacht om zelf alarm te slaan. Appellant functioneert op de middelbare school, doet aan sport en functioneert geleidelijk steeds beter. In verband met de somatische aandoening bestaat geen aanspraak op de functie verblijf.

14/243

1.9.

Appellant heeft bij aanvraag van 16 oktober 2012 CIZ opnieuw verzocht hem te indiceren voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de AWBZ.

1.10.

Bij besluit van 30 november 2012 heeft CIZ de aanvraag afgewezen en bepaald dat de eerder afgegeven indicatiebesluiten met dit besluit komen te vervallen.

1.11.

CIZ heeft het tegen het besluit van 30 november 2012 gerichte bezwaar bij besluit van 23 april 2013 gedeeltelijk gegrond verklaard. Onder intrekking van het besluit van

30 november 2012 heeft CIZ appellant voor de periode van 8 augustus 2011 tot en met

31 december 2012 geïndiceerd voor verpleging, klasse 4 (7 tot 9,9 uur per week) en voor de periode van 1 januari 2013 tot en met 1 juli 2013 voor verpleging, klasse 0 (0 tot 0,9 uur per week). CIZ heeft, onder verwijzing naar het onderzoek van Laane van 15 februari 2013 en

21 maart 2013, vastgesteld dat sprake is van de grondslagen somatiek en psychiatrie. De beperkingen die voortkomen uit de grondslag psychiatrie staan hierbij op de voorgrond. CIZ acht zich niet bevoegd om hierover te oordelen. Omdat de medisch adviseur nog enige hulp nodig acht bij het controleren en toedienen van insuline voor de duur van een half jaar, is appellant in aanmerking gebracht voor de functie verpleging.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak I heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

4 januari 2012 mede gericht geacht tegen het besluit van 9 maart 2012. Het beroep tegen eerstgenoemd besluit heeft de rechtbank wegens het ontbreken van procesbelang

niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het besluit van 9 maart 2012 heeft de rechtbank ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische adviezen van CIZ. Appellant heeft geen medische informatie aangedragen op grond waarvan de rechtbank tot een ander oordeel zou moeten komen. Er bestaat geen aanspraak op de functie verblijf op somatische grondslag en voor zover het de grondslag psychiatrie betreft, is Bjz het ter zake bevoegde bestuursorgaan. De stelling van appellant dat de door Bjz geïndiceerde netwerkpleegzorg geen passende voorziening is, kan er niet toe leiden dat CIZ, met doorkruising van de bevoegdheidsverdeling, een indicatie voor de in de door appellant gewenste vorm dient te stellen.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak II heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft verwezen naar aangevallen uitspraak I en overwogen dat geen aanleiding bestaat om, voor de van belang zijnde periode, tot een ander oordeel de komen. Voor zover appellant het niet eens is met de door Bjz op psychiatrische grondslag vastgestelde aanspraak op zorg, zal hij zich tot Bjz moeten wenden.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Appellant voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de bevoegdheidsverdeling tussen CIZ en Bjz niet doorkruist zou kunnen worden. CIZ is gehouden om appellant, uitgaande van de psychiatrische grondslag, te indiceren voor verblijf. De door Bjz geïndiceerde netwerkpleegzorg houdt namelijk een beperking in van het ouderlijk gezag, hetgeen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Ook wijst appellant hierbij op de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of CIZ appellant in aanmerking had moeten brengen voor een indicatie voor de AWBZ-zorgfunctie verblijf.

4.2.

De Raad stelt voorop dat uit onder meer zijn uitspraak van 17 februari 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BL7152) volgt dat indien een jeugdige door een psychiatrische aandoening of beperking, een gedragsprobleem of een psychisch of psychosociaal probleem is aangewezen op AWBZ-zorg, de Stichting die een bureau jeugdzorg in stand houdt het bevoegde bestuursorgaan is om een indicatiebesluit af te geven op grond waarvan aanspraak op die AWBZ-zorg bestaat, voor zover deze zorg verband houdt met genoemde aandoeningen of problemen. CIZ is voor het indiceren van jeugdigen uitsluitend bevoegd ter zake van zorg die geen verband houdt met een psychiatrische aandoening of beperking, een gedragsprobleem of een psychisch of psychosociaal probleem.

4.3.

De Raad stelt vast dat bij appellant sprake is van zowel een somatische als een psychiatrische grondslag. In verband met de onder 4.1 weergegeven bevoegdheidsverdeling berust de bevoegdheid voor het indiceren van AWBZ-zorg voor appellant bij CIZ voor zover het de zorg in verband met diabetes mellitus betreft, en bij Bjz voor zover het de zorg in verband met beperkingen als gevolg van AD(H)D betreft. Dat appellant zich niet kan vinden in het door Bjz afgegeven indicatiebesluit, doet naar het oordeel van de Raad niet af aan deze uit de wet voortvloeiende bevoegdheidsverdeling. Dit betekent dat CIZ zich terecht niet bevoegd heeft geacht om te besluiten over de AWBZ-zorg voor appellant, voor zover deze zorg verband houdt met de psychiatrische grondslag.

4.4.

Appellant heeft verder aangevoerd zich niet in het besluit van Bjz te kunnen vinden, omdat netwerkpleegzorg een beperking van het ouderlijk gezag oplevert. Het ligt evenwel op de weg van appellant dit in een procedure over de indicatie van netwerkpleegzorg door Bjz naar voren te brengen. De beroepsgronden over schending van het gelijkheidsbeginsel en van de artikelen 8 en 14 van het EVRM behoeven daarom geen bespreking.

4.5.

Ten slotte verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank dat, uitgaande van de bij appellant bestaande lichamelijke beperkingen als gevolg van diabetes mellitus, geen aanspraak bestaat op de functie verblijf. De Raad onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust volledig. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe beroepsgronden naar voren gebracht of nader gemotiveerd waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat de hoger beroepen niet slagen en dat de aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt aangevallen uitspraak I voor zover aangevochten;

  • -

    bevestigt aangevallen uitspraak II.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en D.S. de Vries en

J.A.M. van den Berk als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2014.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) J.R. van Ravenstein

JvC