Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:443

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-02-2014
Datum publicatie
18-02-2014
Zaaknummer
13-3052 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Niet verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Datum uitspraak: 14 februari 2014

13/3052 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

3 april 2013, 12/3245 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

[naam B.] te [woonplaats] heeft namens appellant hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Midden-Nederland op 3 april 2013 tussen partijen gegeven uitspraak.

Deze uitspraak is op 3 april 2013 in afschrift aan partijen toegezonden.

Het beroepschrift is op 6 juni 2013 per fax ter griffie ontvangen.

OVERWEGINGEN

Bij faxbericht van 6 juni 2013 heeft gemachtigde van appellant de Raad het volgende meegedeeld:

“Ik heb naar de Raad van Beroep gebeld, omdat ik nog steeds niets had vernomen inzake mijn hoger beroepschrift.

U heeft geprobeerd deze te traceren in het systeem, maar jammer genoeg zonder enkel resultaat.

Ik zou een kopie die ik nog thuis had vandaag faxen, dat misschien met deze stukken er meer duidelijkheid kan worden verschaft waar de originelen zijn.”

Bij brief van 11 juni 2013 is aan gemachtigde van appellant meegedeeld dat bij de Raad geen beroepschrift van haar bekend is van 29 april 2013. De gemachtigde van appellant is gevraagd mee te delen op welke datum het beroepschrift aan de Raad is verzonden onder overlegging van eventuele bewijsstukken, zoals bijvoorbeeld een bewijs van aangetekende verzending.

Tevens is aangegeven dat de Raad de brief van 6 juni 2013 als hoger beroepschrift kan aanmerken. Hierbij is er op gewezen dat voor hoger beroep een bedrag van € 118,- moet worden betaald aan griffierecht en dat er rekening mee moet worden gehouden dat de mogelijkheid bestaat dat het hoger beroep niet inhoudelijk zal worden behandeld omdat de beroepstermijn is overschreden.

Gemachtigde van appellant heeft op deze brief niet gereageerd.

Bij brieven van 18 september 2013 is nogmaals aan de gemachtigde van appellant meegedeeld dat als de brief van 6 juni 2013 als beroepschrift moet worden aangemerkt en als zodanig door de Raad in behandeling moet worden genomen, er een griffierecht van

€ 118,- verschuldigd is. Gemachtigde van appellant dient er in dat geval rekening mee te houden dat het beroep, nu het niet tijdig is ingediend, niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Op 11 oktober 2013 heeft gemachtigde van appellant nadere stukken overgelegd. Uit deze stukken blijkt dat Post NL niet kan achterhalen waar het - niet aangetekend verzonden - hoger beroepschrift van appellant van 29 april 2013 is gebleven.

Bij aangetekende brief van 21 oktober 2013 is gemachtigde van appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief dient te zijn bijgeschreven op de bankrekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, gemachtigde van appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.

Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn betaald.

Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Appellant is er voorts niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij eerder dan bij faxbericht van 6 juni 2013 hoger beroep heeft ingesteld. Dat is buiten de daarvoor geldende termijn, terwijl niet is gebleken van redenen om die termijnoverschrijding verontschuldigbaar te achten. Geoordeeld wordt dat om deze reden, alsmede omdat het verschuldigde griffierecht door appellant niet (tijdig) is betaald, het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk is.

Het hoger beroep is derhalve kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van

T. Hemelrijk-van den Oudenalder als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2014.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) T. Hemelrijk-van den Oudenalder

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij

de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.

CVG