Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4418

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
08-01-2015
Zaaknummer
14-155 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Stopzetting arbeidsmarkttoelage voor in ieder geval twee jaar. Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard omdat het geen gronden bevat. Het enkele feit dat in het begin van de brief van 15 maart 2013 als datum van bezwaar 26 februari 2013 is vermeld, rechtvaardigt niet de conclusie dat die brief als aanvullend bezwaarschrift tegen het besluit van 24 januari 2013 dient te worden aangemerkt. De brief van 15 maart 2013 is uitdrukkelijk gericht tegen het besluit van 19 januari 2012, dat ook als bijlage was bijgevoegd. Op geen enkele wijze kan uit de inhoud van de brief van 15 maart 2013 worden opgemaakt dat het ook is gericht tegen het besluit van 24 januari 2013. Overigens bevat ook de brief van 15 maart 2013 geen concrete bezwaargrond. De enkele stelling dat het bestreden besluit (het besluit van 19 januari 2012) niet in stand kan blijven op grond van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel kan niet als zodanig worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2015/22
TAR 2015/46
AB 2015/105 met annotatie van mr. R. Ortlep
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/155 AW

Datum uitspraak: 24 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

3 december 2013, 13/4462 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

In dit geschil is het dagelijks bestuur in de plaats getreden van het college van burgemeester en wethouders van Ede. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van het dagelijks bestuur, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) het college verstaan.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J. Aberkrom. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.J. Rutten, advocaat en W. Verboom.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als brandwacht/medewerker huishoudelijke dienst kantine bij de afdeling Uitrukdienst van de Brandweer[plaats]. Bij besluit van 19 januari 2012 is een beoordeling vastgesteld over het tijdvak 1 mei 2011 tot 24 november 2011. Bij besluit van

24 januari 2013 is de aan appellant structureel toegekende arbeidsmarkttoelage met ingang van 1 februari 2013 stopgezet voor een periode van in ieder geval twee jaar. Bij brief van

26 februari 2013 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 24 januari 2013. Bij brief van 1 maart 2013 heeft de voormalig gemachtigde van appellant (T) namens hem op nader aan te voren gronden bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 januari 2012.

1.2.

Bij brief van 5 maart 2013 heeft de Bezwarenadviescommissie personele aangelegenheden (bezwarenadviescommissie) de ontvangst van het bezwaarschrift van

26 februari 2013 bevestigd, meegedeeld dat het bezwaarschrift onvolledig is omdat de gronden er niet in staan en appellant tot en met 20 maart 2013 in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen, onder de vermelding dat appellant door tijdig herstel van het verzuim voorkomt dat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard. Bij brief van 11 maart 2013 heeft de bezwarenadviescommissie de ontvangst van het bezwaarschrift van 1 maart 2013 bevestigd en een termijn van vier weken gegeven voor het aanvullen van de gronden. Bij brief van 15 maart 2013 heeft T, onder bijvoeging van het besluit van 19 januari 2012 en onder de omschrijving van dit besluit als “betreffende de definitieve vaststelling van de beoordeling”, aangevoerd dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven op grond van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Bij brief van 8 april 2013 heeft T bezwaargronden ingediend tegen de besluiten van 19 januari 2012 en 24 januari 2013.

1.3.

Bij besluit van 4 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur, onder verwijzing naar het advies van de bezwarenadviescommissie en voor zover thans van belang, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 januari 2013 niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan ligt ten grondslag dat het bezwaarschrift van 26 februari 2013 geen gronden bevat en dat appellant dit verzuim niet heeft hersteld binnen de gestelde termijn. De nadere gronden in de brief van 15 maart 2013 van de gemachtigde van appellant hebben betrekking op het besluit van 19 januari 2012 en kunnen niet worden aangemerkt als gronden gericht tegen het besluit van 24 januari 2013.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar. Hij heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 3 februari 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO4835, aangevoerd dat het bezwaarschrift van 26 februari 2013 een voldoende concrete bezwaargrond bevat. Verder is het aanvullend bezwaarschrift van

15 maart 2013 volgens appellant ook gericht tegen het besluit van 24 januari 2013.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 oktober 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB7463) worden in het algemeen geen hoge eisen gesteld aan de motivering van een bezwaarschrift. Dit brengt mee, dat in de regel ook van een in het bezwaarschrift gegeven summiere motivering van het bezwaar zal kunnen worden aangenomen dat daarmee is voldaan aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit neemt echter niet weg dat het bezwaarschrift wel, hoe summier ook verwoord, een concrete bezwaargrond dient te bevatten. Hiermee wordt een feitelijke grond bedoeld, waaronder de Raad verstaat een standpunt ten aanzien van de overwegingen van het bestreden besluit waarmee duidelijkheid wordt verschaft over het punt, dan wel de punten, waarmee de indiener van het bezwaarschrift het niet eens is.

4.2.

In de uitspraak van 3 februari 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO4835, waar appellant zich op heeft beroepen, bestond de nadere motivering van het bezwaarschrift uit de mededeling van betrokkene dat die motivering het beste kon worden beperkt tot de zin uit het oorspronkelijke bezwaarschrift: “Hallo koning onbenul, waar zijn wij nou helemaal mee bezig?”. De Raad oordeelde in die zaak dat geen grond voor niet-ontvankelijkverklaring bestond, omdat het bezwaarschrift immers een motivering bevatte waarom naar de mening van betrokkene het besluit in rechte geen stand kon houden. De Raad voegde hieraan toe dat daaraan verder niet afdoet dat van deze gronden wellicht op voorhand duidelijk was dat deze niet voldoende daadkrachtig waren. Anders dan in de uitspraak van 3 februari 2004 heeft appellant in zijn bezwaarschrift van 26 februari 2013 alleen weergegeven dat hij het niet eens is met de verschillende standpunten die zijn genoemd in het besluit, maar op geen enkele wijze duidelijk gemaakt waarom hij het er niet mee eens is. Het bezwaarschrift van

26 februari 2013 bevat dan ook geen concrete bezwaargrond.

4.3.

Het enkele feit dat in het begin van de brief van 15 maart 2013 als datum van bezwaar

26 februari 2013 is vermeld, rechtvaardigt niet de conclusie dat die brief als aanvullend bezwaarschrift tegen het besluit van 24 januari 2013 dient te worden aangemerkt. De brief van 15 maart 2013 is uitdrukkelijk gericht tegen het besluit van 19 januari 2012, dat ook als bijlage was bijgevoegd. Op geen enkele wijze kan uit de inhoud van de brief van

15 maart 2013 worden opgemaakt dat het ook is gericht tegen het besluit van 24 januari 2013. Overigens bevat ook de brief van 15 maart 2013 geen concrete bezwaargrond. De enkele stelling dat het bestreden besluit (het besluit van 19 januari 2012) niet in stand kan blijven op grond van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel kan niet als zodanig worden aangemerkt (vergelijk de in 4.1 genoemde uitspraak).

4.4.

Nu het bezwaarschrift van 26 februari 2013 geen gronden bevatte, appellant is uitgenodigd het verzuim te herstellen, hij in de uitnodiging is gewaarschuwd voor

niet-ontvankelijkverklaring indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn is hersteld en binnen de termijn geen herstel heeft plaatsgevonden, was het dagelijks bestuur bevoegd met toepassing van artikel 6:6 van de Awb het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Er is geen grond om te oordelen dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD