Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4417

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
08-01-2015
Zaaknummer
13-1449 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen vaste aanstelling. Bezuinigingsmaatregel. Ook indien in het functioneren van een op proef aangestelde ambtenaar geen grond is gelegen om hem een vaste aanstelling te onthouden, kan daartoe toch worden besloten als zich een bijzondere omstandigheid van gewichtige aard voordoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2015/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1449 AW

Datum uitspraak: 24 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
28 februari 2013, 12/1729 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Rhijnsburger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. M.W.J.A. van der Molen-Platenburg, advocaat, een verweerschrift ingediend.


Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Rhijnsburger. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van der Molen-Platenburg, ing. D.A. Mol en W. Verbeeke.

OVERWEGINGEN

1.1.

Het college heeft bij besluit van 16 november 2010 aan appellant een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef verleend als Receptiemedewerker Publiekszaken voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011.

1.2.

Bij brief van 27 januari 2011 heeft het college de intentie uitgesproken om de tijdelijke aanstelling bij goed functioneren om te zetten in een vaste aanstelling.

1.3.

Bij besluit van 15 september 2011 heeft het college appellant meegedeeld de tijdelijke aanstelling niet om te zetten in een vaste aanstelling. De motivering is, aldus het besluit, in een gesprek op 30 augustus 2011 kenbaar gemaakt.

1.4.

Het college heeft bij besluit van 21 maart 2012 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 15 september 2011 ongegrond verklaard. Aan de handhaving van het besluit om appellant geen vaste aanstelling te verlenen liggen naast het onvoldoende functioneren van appellant ook de ontwikkelingen binnen de organisatie en de noodzakelijk door te voeren bezuinigingen ten grondslag.

1.5.

Bij tussenuitspraak van 8 november 2012 heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en het college in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen.

1.6.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college bij brief van 6 december 2012 het bestreden besluit van een nadere motivering voorzien.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank is, samengevat, van oordeel dat onvoldoende functioneren van appellant niet en de noodzakelijk door te voeren bezuinigingen wel als grondslag kunnen dienen voor het niet verlenen van een vaste aanstelling aan appellant.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten en hem een vaste aanstelling is onthouden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft gesteld dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat hij niet tekort is geschoten in de uitoefening van zijn functie, zodat er geen goede grond meer was hem geen vaste aanstelling te verlenen. Deze stelling treft geen doel. Ook indien in het functioneren van een op proef aangestelde ambtenaar geen grond is gelegen om hem een vaste aanstelling te onthouden, kan daartoe toch worden besloten als zich een bijzondere omstandigheid van gewichtige aard voordoet. Een zodanige omstandigheid kan bijvoorbeeld zijn de noodzaak tot het treffen van bezuinigingsmaatregelen (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 2 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI0637).

4.2.

De stelling van appellant dat het college het niet verlenen van een vaste aanstelling bij het bestreden besluit niet van een nieuwe grondslag had mogen voorzien, treft evenmin doel. Het stond het college in het kader van de bestuurlijke heroverweging vrij zijn besluit van een nieuwe dan wel aanvullende motivering te voorzien. Overigens heeft het college, verwijzend naar een ongedateerd verslag van het, in het besluit van 15 september 2011 genoemde, gesprek op 30 augustus 2011 gesteld dat de noodzaak bezuinigingen door te voeren ook al mede ten grondslag lag aan het besluit van 15 september 2011.

4.3.

Appellant heeft verder tevergeefs aangevoerd dat de door het college gebruikte bezuinigingsgrond te algemeen was om te kunnen worden aanvaard als economische noodzaak om hem geen vaste aanstelling te verlenen. De in de voorjaarsnota 2012-2015 genoemde ombuigingsvoorstellen zijn uitgewerkt in de Programmabegroting 2012-2015, die door de gemeenteraad van Albrandswaard op 24 oktober 2011 is vastgesteld. Die Programmabegroting voorziet voor het KlantContactCentrum (KCC), waar appellant werkzaam was, in een reductie van de personeelsinzet van 2 fte naar 1 fte. Die reductie is gerealiseerd met het niet verlenen van een vaste aanstelling aan appellant. Het betoog van appellant dat de taakstelling niet is gerealiseerd, omdat zijn plaats is ingenomen door M die hij nog heeft ingewerkt, slaagt niet. Het college heeft immers toegelicht dat M elders bij de gemeente werkzaam was en slechts in het kader van haar re-integratie werkzaamheden bij het KCC heeft verricht. Dat M uiteindelijk in 2013 in de formatie van het KCC is opgenomen, betekent verder niet dat het college in 2011 niet om bezuinigingsredenen heeft kunnen besluiten appellant geen vaste aanstelling te verlenen. Overigens heeft het college verklaard dat het opnemen van M in de formatie van het KCC in 2013 gepaard is gegaan met een afname van formatie op de afdeling waar M voorheen werkzaam was.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) S.W. Munneke

HD