Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:441

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-02-2014
Datum publicatie
18-02-2014
Zaaknummer
11-5441 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WGA-uitkering. Niet gebleken dat bij appellant sprake is van meer of ernstiger beperkingen dan door het Uwv is aangenomen in de FML. Geen reden om ten aanzien van de functies van onderhoudstimmerman en graafmachinist, laadschopbestuurder appellants HBO-B en HTS-diploma niet gelijkwaardig te achten aan het voor de functies vereiste VMBO-diploma. Appellant kan worden geacht een zodanige kennis te hebben verworven dat zijn opleidingsniveau ten minste aan de bij de omschrijving van die functies opgenomen diploma-eis kan worden gelijkgesteld. De genoemde functies waren dan ook geschikt om de theoretische verdiencapaciteit van appellant vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/5441 WIA

Datum uitspraak: 14 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van

25 augustus 2011, 11-2712 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. A. van Deuzen, advocaat.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van een arbeidsdeskundige in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2013. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van Deuzen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als docent, is op 19 maart 2004 uitgevallen voor zijn werk wegens psychische klachten. Bij besluit van 13 april 2006 is aan appellant een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij brief van 24 augustus 2009 heeft het Uwv appellant bericht dat er een fout is geslopen in het besluit van 13 april 2006 en dat de daar vermelde mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% onjuist is en dat dit 35 tot 80% had moeten zijn. Daarbij is medegedeeld dat de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid op 50% heeft bepaald.

1.3. Bij brief van 20 september 2010 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat zijn loongerelateerde WGA-uitkering op 17 maart 2010 eindigt, maar omdat de uitkering reeds tot 1 oktober 2010 is betaald, de ingangsdatum van de WGA-vervolguitkering 1 oktober 2010 wordt. Voorts is aan appellant medegedeeld dat hij nog bericht zal ontvangen over de definitieve vaststelling van zijn uitkering en dat de uitkering tot die tijd op voorschotbasis wordt verstrekt.

1.4. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 20 oktober 2010 vastgesteld dat appellant ongewijzigd 45 tot 55% arbeidsongeschikt is en dat daarom de WGA-vervolguitkering niet wijzigt. Het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 12 april 2011 (bestreden besluit).

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

3.

Appellant heeft in hoger beroep zijn in eerste aanleg aangevoerde gronden gehandhaafd, hetgeen er in essentie op neer komt dat hij zich op medische en arbeidskundige gronden volledig arbeidsongeschikt acht in de zin van de Wet WIA.

4.

De Raad overweegt het volgende.

4.1.

Mede gelet op het verhandelde ter zitting heeft de Raad zich gebogen over de vraag of het bestreden besluit zo moet worden gelezen dat sprake is van een ongewijzigde voortzetting van het arbeidsongeschiktheidspercentage 45 tot 55% of dat sprake is van een eerste herziening van het arbeidsongeschiktheidspercentage per 1 oktober 2010. De Raad ziet aanleiding om van dat laatste uit te gaan, nu hem niet is kunnen blijken van een eerder herzieningsbesluit.

4.2.

Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank terecht en op basis van een juiste motivering geconcludeerd dat er op grond van de beschikbare gegevens niet is gebleken dat bij appellant sprake is van meer of ernstiger beperkingen dan door het Uwv is aangenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst van

8 juli 2010. De Raad stelt zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank terzake en maakt deze tot de zijne. Appellant heeft in hoger beroep geen medische informatie ingebracht die aanleiding geven tot een ander oordeel.

4.3.1.

Met betrekking tot de arbeidskundige kant van het bestreden besluit heeft appellant aangevoerd dat hij de functies van onderhoudstimmerman en graafmachinist, laadschopbestuurder niet kan vervullen, omdat voor deze functies een specifiek diploma wordt vereist. Appellant is van mening dat zijn HBO-B en HTS-diploma een theoretischer gehalte hebben dan het vereiste beroepsgerichte VMBO-diploma en om die reden niet gelijkwaardig zijn.

4.3.2.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt aan de diploma-eis voldaan als sprake is van gelijkwaardige diploma’s. In hetgeen appellant naar voren heeft gebracht, ziet de Raad geen reden om ten aanzien van de functies van onderhoudstimmerman en graafmachinist, laadschopbestuurder appellants HBO-B en HTS-diploma niet gelijkwaardig te achten aan het voor de functies vereiste VMBO-diploma. Appellant kan worden geacht een zodanige kennis te hebben verworven dat zijn opleidingsniveau ten minste aan de bij de omschrijving van die functies opgenomen diploma-eis kan worden gelijkgesteld. De genoemde functies waren dan ook geschikt om de theoretische verdiencapaciteit van appellant vast te stellen.

4.4.

Gelet op hetgeen onder 4.2 en 4.3.2 is overwogen, wordt geconcludeerd dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij een oordeel is gegeven over het besluit van 10 oktober 2010, dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij een oordeel is gegeven over het besluit van 10 oktober 2010.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.E. Bakker en

B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2014.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) I.J. Penning

TM