Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4409

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
08-01-2015
Zaaknummer
14-3028 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De brief van de thuiszorg dat met ingang van 1 mei 2013 bij korte afwezigheid van de huishoudelijke hulp van maximaal twee weken in verband met ziekte of vakantie geen vervanging wordt ingezet, is niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Geen aanknopingspunten dat sprake is van een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling en er is ook geen besluit van het college aan te wijzen is waarin de in het kader van de Wmo vastgestelde omvang van de toegekende aanspraak op hulp in de huishouding is gewijzigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2015/21
NJB 2015/180
BA 2015/34
RSV 2015/50 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
Gst. 2015/46 met annotatie van N. Jak
AB 2015/392 met annotatie van I. Sewandono
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3028 WMO

Datum uitspraak: 24 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

uitspraak in het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 april 2014, 13/3040 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C.S. Grégoire, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2014. Appellante is met bericht niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van der Ven.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Aan appellante is bij besluit van 6 februari 2012 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in de periode van 13 januari 2012 tot 13 januari 2017 hulp in de huishouding voor drie uur en 45 minuten per week toegekend in de vorm van zorg in natura. Deze zorg wordt verstrekt door de door appellante gekozen thuiszorgorganisatie [thuiszorg] Thuiszorg ([thuiszorg]).

1.2.

Bij brief van 10 april 2013 heeft [thuiszorg] appellante bericht dat met ingang van

1 mei 2013 bij korte afwezigheid van de huishoudelijke hulp van maximaal twee weken in verband met ziekte of vakantie geen vervanging wordt ingezet. Kostenbesparing en het aanvullend karakter van de hulp zijn aanleiding geweest voor deze verandering.

1.3.

Appellante heeft bij het college bezwaar gemaakt tegen deze brief. Bij besluit van

29 augustus 2013 heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bericht van [thuiszorg] niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat de brief afkomstig is van een privaatrechtelijke rechtspersoon. Voorts is geen sprake van een publiekrechtelijke rechtshandeling maar van een eenzijdige wijziging in een privaatrechtelijke overeenkomst tussen [thuiszorg] en appellante.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat het college in overleg met [thuiszorg] besloten heeft tot een bezuiniging in de vorm van een eigen risico, waardoor appellante zelf mogelijk meerdere keren per jaar afwezigheid van de hulp gedurende maximaal twee weken moet opvangen. Dit levert een verschraling op van de voorziening hulp in de huishouding. Over de aanpassing is bovendien overleg geweest tussen het college en [thuiszorg]. De Wmo voorziet in een rechtsgang tegen deze aanpassing van de hulp en de aan appellante gerichte brief van 10 april 2013. Zou er geen sprake zijn van een besluit dan zou er ook geen rechtsbescherming zijn tegen de verschraling. Appellante heeft verwezen naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AB 1996, 136) en de Raad (AB 2006, 424).

4.1

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Het geschil gaat over de vraag of de brief van [thuiszorg] van 10 april 2013 is aan te merken als een besluit. De Raad is van oordeel dat de brief niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank dat zij geen aanknopingspunten heeft kunnen vinden voor de opvatting dat sprake is van een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling en dat ook geen besluit van het college aan te wijzen is waarin de in het kader van de Wmo vastgestelde omvang van de toegekende aanspraak op hulp in de huishouding is gewijzigd. Het college heeft ter zitting van de Raad nog eens bevestigd dat het volledig verantwoordelijk blijft voor de vastgestelde, niet gewijzigde zorgtoekenning. De brief van [thuiszorg] doet niet af aan de op artikel 4 van de Wmo gebaseerde compensatieplicht van het college en het college kan op het resultaat worden aangesproken.

4.3.

Een vergelijking met de beide door appellante aangehaalde uitspraken gaat niet op nu in die zaken sprake was van een geheel andere wettelijke en feitelijke situatie. De inhoud van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting mede in aanmerking genomen bestaat er in dit geval geen aanleiding om een bevoegdheid van de zorgleverancier aan te nemen tot het wijzigen van de zorgtoekenning die door het college is vastgesteld op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wmo. Anders dan in de beide door appellante aangehaalde uitspraken is geen sprake van een rechtsbeschermingstekort nu het college, zoals ook ter zitting nogmaals bevestigd, ten aanzien van de aan appellante toegekende -onder 1.1 vermelde- Wmo-voorziening onverkort aanspreekbaar blijft.

4.4.

Het beroep slaagt niet.

5. Voor een proceskosten veroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitpraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en M.I. ’t Hooft als leden, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014.

(getekend) H.C.P. Venema

(geteken) M. Crum

RB