Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4407

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
08-01-2015
Zaaknummer
13-6803 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft de beroepen van appellant terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/6803 AWBZ, 13/6804 AWBZ

Datum uitspraak: 24 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van

15 november 2013, 13/1260 (aangevallen uitspraak 1) en 13/1662 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Zorgkantoor Zuid-Hollandse Eilanden (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.J. van Meggelen, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Meggelen en zijn ouders.

Het Zorgkantoor heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 28 februari 2012 heeft het Zorgkantoor de door appellant ingediende verantwoording voor zijn persoonsgebonden budget (pgb) over de tweede helft van het zorgjaar 2011 afgekeurd. Het door appellant hiertegen ingediende bezwaarschrift is ongegrond verklaard bij besluit van 9 januari 2013 (bestreden besluit 1).

1.2.

Bij besluit van 20 november 2012 heeft het Zorgkantoor de toekenningsbeschikking van het pgb van appellant voor het zorgjaar 2012 ingetrokken op de grond dat geen AWBZ-zorg is geleverd. Het door appellant hiertegen ingediende bezwaarschrift is ongegrond verklaard bij besluit van 5 maart 2013 (bestreden besluit 2).

1.3.

Bij brief van 21 maart 2013 heeft de rechtbank appellant in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken het verzuim ter zake van het ontbreken van beroepsgronden tegen het besluit van 5 maart 2013 te herstellen. In die brief is gewezen op de mogelijkheid dat het beroep niet-ontvankelijk verklaard wordt indien niet aan het verzoek is voldaan en niet binnen de gestelde termijn een verzoek om uitstel is ingediend. Appellant heeft hierop bij brief van 27 maart 2013 aan de rechtbank geschreven dat de grond van zijn beroep is dat de beslissing is genomen om niet moverende reden.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten 1 en 2 niet-ontvankelijk verklaard. In de aangevallen uitspraak 1 wegens overschrijding van de beroepstermijn waarbij de rechtbank tevens van oordeel is dat niet is gebleken van omstandigheden die leiden tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. In de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep

niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant met de brief van 27 maart 2013 geen specifieke punten heeft benoemd waarom hij het niet eens is met het bestreden besluit. Het niet tijdig indienen van de gronden door appellant is niet verschoonbaar aldus de rechtbank.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1

4.1.

Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de wettelijke termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt die termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. In het tweede lid van artikel 6:9 van de Awb is bepaald dat bij verzending per post het beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.2.

Door partijen wordt niet betwist dat het besluit waartegen beroep is ingesteld op

9 januari 2013 op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is daarom aangevangen op 10 januari 2013 en eindigde op

20 februari 2013. Vaststaat dat de enveloppe waarin het beroepschrift is verstuurd is voorzien van een datumstempel van 25 februari 2013. Appellant betoogt dat hij het beroepschrift, dat naar eigen zeggen op 14 februari 2013 was geschreven, nog vóór afloop van de termijn op

19 februari 2013, ter post heeft bezorgd door aflevering aan een postagentschap. Appellant heeft die stelling niet aannemelijk gemaakt. Naar het oordeel van de Raad mag er van uit worden gegaan dat voor sluitingstijd bij een postagentschap aangeboden post nog diezelfde dag van een poststempel wordt voorzien. Appellant heeft niet aan de hand van enig verifieerbaar gegeven aannemelijk gemaakt dat in het voorliggende geval van deze werkwijze zou zijn afgeweken. De grond slaagt niet. Of het appellant, gelet op zijn ziektebeeld en de omstandigheid dat zijn vader juist op de laatste dag van de beroepstermijn werd opgenomen in het ziekenhuis, aan te rekenen valt dat hij het beroepschrift niet aangetekend heeft verstuurd, maakt voor dit oordeel geen verschil.

4.3.

Voor zover appellant met de onder 4.2 genoemde bijzondere omstandigheden bedoeld heeft als subsidiaire grond aan te voeren dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, slaagt deze grond evenmin. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet valt in te zien waarom het reeds opgestelde beroepschrift niet door een ander ter post had kunnen worden bezorgd.

Aangevallen uitspraak 2

4.4.

Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb dient een beroepschrift ten minste de gronden van het beroep te bevatten. Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan het beroep, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb, niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

4.5.

Appellant stelt dat hij met zijn brief van 27 maart 2013 gronden heeft aangevoerd en dat met de zinsnede dat de beslissing van het Zorgkantoor is genomen om niet moverende reden wordt bedoeld dat de beslissing onvoldoende was gemotiveerd.

4.6.

De Raad volgt appellant niet in dit betoog. In de rechtspraak van de Raad ligt besloten dat hoewel aan de motivering van een beroepschrift geen hoge eisen worden gesteld

(CRvB 19 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH8663) de grond wel voldoende duidelijkheid moet verschaffen omtrent hetgeen partijen volgens appellant verdeeld houdt.

De hiervoor geciteerde passage uit de brief van 27 maart 2013 verschaft die duidelijkheid niet. Indien de nadere duiding die appellant in hoger beroep geeft wordt gevolgd, gaat het om een niet nader toegelicht beroep op het motiveringsbeginsel. Uit de rechtspraak van de Raad

(zie CRvB 27 december 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AD8574) volgt dat een verwijzing naar een algemeen rechtsbeginsel onvoldoende grond is als bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.

4.7.

De stelling van appellant dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard omdat appellant van de termijnoverschrijding geen verwijt kan worden gemaakt, treft geen doel om de reden als door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is overwogen.

4.8.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.7 is overwogen volgt dat de rechtbank de beroepen van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De overige gronden die appellant heeft aangevoerd kunnen daarom buiten beschouwing blijven. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraken zullen worden bevestigd.

5.Voor een proceskostenveroordeling is geen grond.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en M.I. ’t Hooft als leden, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014.

(getekend) H.C.P. Venema

(getekend) M. Crum

MK