Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4398

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
07-01-2015
Zaaknummer
13-2344 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/2344 ZW

Datum uitspraak: 24 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

5 april 2013, 12/2836 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W. van de Wege, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Wege. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als servicemedewerker bij een tankstation toen hij op

3 januari 2009 uitviel vanwege rugklachten. Bij besluit van 14 december 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 1 januari 2011 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), aangezien de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 35% bedraagt. Appellant werd daarbij ongeschikt geacht voor de maatmanfunctie, maar nog wel in staat geacht om met inachtneming van zijn beperkingen - neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst van

15 november 2010 - onder meer de functies van brugwachter/sluiswachter, machinebediende inpak-/verpakkingsmachine en wikkelaar/samensteller elektronische apparatuur te verrichten. Bij besluit van 21 april 2011 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van

14 december 2010 ongegrond verklaard. Tegen het besluit van 21 april 2011 zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

Appellant heeft zich vervolgens, vanuit de situatie dat hij een werkloosheidsuitkering ontving, op 4 juli 2011 ziek gemeld wegens toegenomen rugklachten. Aan appellant is een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend wegens een operatie aan zijn rug. Appellant heeft diverse malen het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht, voor het laatst op 28 maart 2012. De verzekeringsarts is na dit spreekuur tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 29 maart 2012 geschikt kan worden geacht voor de eerder geduide functie van brugwachter. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van

28 maart 2012 de ZW-uitkering van appellant per 29 maart 2012 beëindigd.

1.3.

Het tegen laatstgenoemde besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, neergelegd in het rapport van

24 juli 2012 - bij besluit van 26 juli 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, samengevat, geen reden gezien om het medisch onderzoek voor onzorgvuldig of onjuist te houden of om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts appellant lichamelijk heeft onderzocht en de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie heeft ingewonnen bij de behandelend sector en deze bij zijn oordeel heeft meegewogen. Naar het oordeel van de rechtbank is de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 15 november 2012 uitgebreid ingegaan op hetgeen appellant in beroep naar voren heeft gebracht. Ten aanzien van de door appellant in beroep overgelegde informatie van orthopedisch chirurg N.C. Schepel van

23 januari 2013 onderschrijft de rechtbank het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals neergelegd in haar rapport van 28 januari 2013. De rechtbank heeft geen reden gezien voor twijfel aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de nu gestelde diagnose ‘failed back surgery syndroom’ niet leidt tot andere beperkingen. Het kunnen geven van een bepaalde naam aan een ziekte of een gebrek of het stellen van een diagnose is volgens de rechtbank, onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van

30 augustus 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU1859, voor het vaststellen van de beperkingen niet beslissend. Uit de informatie van Schepel kan volgens de rechtbank niet worden afgeleid dat sprake is van meer beperkingen dan door het Uwv is aangenomen. Met betrekking tot de gebruikte medicatie van appellant, Lyrica, Tramadol en Pantazol, die hem duizelig maakt, stelt de rechtbank vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bekend was het met medicijngebruik van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kon bij onderzoek geen sufheid waarnemen, noch heeft appellant bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep problemen met geheugen of concentratie gemeld. De beroepsgrond over het feit dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zelf geen lichamelijk onderzoek heeft verricht slaagt naar het oordeel van de rechtbank evenmin. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, onder andere ECLI:NL:CRVB:2008:BG8094, stelt de rechtbank vast dat de verzekeringsarts appellant lichamelijk heeft onderzocht en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep over uitgebreide informatie van de behandelend sector beschikte van rond de datum in geding en derhalve kon volstaan met een psychisch onderzoek en bestudering van het dossier.

3. Appellant kan zich met de uitspraak van de rechtbank niet verenigen. Hij stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. De verzekeringsartsen hebben zijn beperkingen dan wel pijnklachten (zenuwpijn) sterk onderschat en ten onrechte geoordeeld dat hij in staat is de functie van brugwachter te vervullen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder ‘zijn arbeid’ verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Zoals de Raad reeds vaker heeft beslist gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

4.2.

De gronden van appellant in hoger beroep vormen goeddeels een herhaling van dat wat hij in bezwaar en beroep heeft gesteld. De rechtbank heeft overtuigend gemotiveerd waarom de beroepsgronden van appellant niet slagen. Wat betreft de beroepsgrond van appellant dat bij het vaststellen van zijn belastbaarheid ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn slaapproblemen, stelt de Raad vast dat niet met medische gegevens is onderbouwd dat bij appellant sprake is van een slaapstoornis op grond waarvan beperkingen zouden moeten worden aangenomen op de datum in geding. Ook overigens heeft appellant geen medische gegevens in het geding gebracht die doen twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de rechtbank. De Raad kan zich dan ook vinden in hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) H.J. Dekker

nk