Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4395

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
08-01-2015
Zaaknummer
13-1025 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:49, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. Toekenning loongerelateerde uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1025 WIA

Datum uitspraak: 24 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

10 januari 2013, 11/4750 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.S. Kerkhof-Pöttger hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2014. Appellant en

mr. Kerkhof-Pöttger zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft zich vanuit de situatie waarin hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet op 24 maart 2009 bij het Uwv ziek gemeld. Aan hem is uitkering verstrekt op grond van de Ziektewet. Op de aanvraag van appellant om hem in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is op 27 januari 2011 afwijzend beslist.

1.2.

Appellant heeft tegen het besluit van 27 januari 2011 bezwaar gemaakt. Bij besluit van

21 september 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 27 januari 2011 herzien en appellant met ingang van 22 maart 2011 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 60%.

2.1.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft aangevoerd dat het Uwv zijn psychische en lichamelijke beperkingen heeft onderschat en bepleit dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid groter is dan het Uwv heeft aangenomen.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2012:BW8531) heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant geen procesbelang heeft, omdat hij met zijn beroep niet kan bereiken dat zijn uitkering meer bedraagt dan 75% onderscheidenlijk 70% van het

WIA-dagloon.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat de rechtbank ten onrechte tot

niet-ontvankelijkverklaring van zijn beroep heeft beslist. Het Uwv heeft onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1485) deze stelling van appellant onderschreven.

3.2.

Appellant heeft verder de in eerste aanleg geformuleerde beroepsgronden herhaald. Meer in het bijzonder is hij van mening dat het Uwv had moeten uitgaan van een verdere urenbeperking dan tot 30 uur per week. Het Uwv heeft betoogd dat hij op grond van een zorgvuldige en juiste medische en arbeidskundige beoordeling tot het bestreden besluit is gekomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ten onrechte heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. In de door het Uwv genoemde uitspraak van 15 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1485, waarin een vergelijkbare situatie aan de orde was, heeft de Raad overwogen dat bij de vraag of procesbelang aanwezig is, moet worden betrokken het gevolg dat het hebben van een verdienvermogen van minder dan 20% heeft voor de soort en de hoogte van de WGA-uitkering na afloop van de loongerelateerde uitkering (LGU). Als een betrokkene tijdens het ontvangen van een LGU ten minste twee maanden een verdienvermogen van minder dan 20% heeft, geldt voor die betrokkene geen inkomenseis. Met deze uitspraak heeft de Raad afstand genomen van het oordeel dat hij in de door de rechtbank aangehaalde uitspraak had gegeven.

4.2.

Appellant heeft wel degelijk procesbelang ten aanzien van het besluit tot toekenning van een loongerelateerde uitkering, waarbij is uitgegaan van een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Appellant claimt immers meer arbeidsongeschikt te zijn. Indien de mate van zijn arbeidsongeschiktheid zou worden vastgesteld op 80 tot 100% ten aanzien van de LGU, heeft dit gevolgen voor de inkomsenseis die van belang is na afloop van de loongerelateerde periode.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

4.4.

Er is aanleiding om, mede gelet op artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht en het ter zitting besprokene, te bezien of kan worden gekomen tot definitieve beslechting van dit geschil. Appellant heeft inhoudelijke gronden tegen het bestreden besluit ingediend en het Uwv heeft verweer gevoerd. De Raad zal dan ook doen wat de rechtbank zou behoren te doen en het beroep tegen het bestreden besluit inhoudelijk beoordelen.

4.5.

Nadat appellant bezwaar had gemaakt tegen het besluit van 27 januari 2011, heeft zijn huisarts aan het Uwv specialistische informatie verstrekt afkomstig van de cardioloog, de neuroloog, de KNO-arts, de internist-nefroloog en de longarts die bij de behandeling van appellant waren betrokken. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv is aanwezig geweest bij de hoorzitting en heeft op zijn verzoek nadien nadere informatie verkregen van de behandelend klinisch psycholoog en de internist-nefroloog. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder kennisgenomen van het rapport van de arts van het Uwv, die appellant op 16 december 2010 had onderzocht, en van de door die arts op dezelfde datum opgemaakte Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).

4.6.

In zijn rapport van 29 juni 2011, gecorrigeerd bij rapport van 8 september 2011, is de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot de conclusie gekomen dat de combinatie van een matig gereguleerde diabetes mellitus, cardiovasculaire problematiek, stress- en spanningsklachten en een uit morbide adipositas voorvloeiende OSAS het aannemen van een urenbeperking tot zes uur per dag en 30 uur per week rechtvaardigt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze urenbeperking, in combinatie met een beperking voor werken in de nacht en in onregelmatige diensten, opgenomen in een aangepaste FML van 28 juli 2011. Deze arts heeft in zijn rapporten gemotiveerd uiteengezet waarom er in verband met de psychische klachten van appellant en zijn klachten van het bewegingsapparaat geen verdergaande beperkingen nodig zijn in andere rubrieken van de FML.

4.7.

Appellant heeft in bezwaar noch in beroep en hoger beroep medische gegevens ingebracht waaruit moet worden afgeleid dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuiste inschatting heeft gemaakt van de beperkingen en de mogelijkheden van appellant om in arbeid te functioneren. De brieven van de internist-nefroloog van 3 november 2011 bevatten, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht heeft opgemerkt in zijn rapport van 13 januari 2012, geen andere informatie dan al bij het Uwv bekend was.

4.8.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 28 juli 2011 zijn de functies die de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geselecteerd voor appellant geschikt. In haar rapport van 1 augustus 2011 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de geschiktheid van de functies toegelicht. De schatting is gebaseerd op de functies van bode-bezorger, inpakker en wikkelaar. Voor zover in die functies op onderdelen sprake is van een belasting die de in de FML vastgelegde belastbaarheid van appellant overschrijdt, is gemotiveerd uiteengezet waarom kan worden aangenomen dat die functies toch door appellant kunnen worden vervuld.

4.9.

De conclusie is dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant bij het bestreden besluit juist heeft vastgesteld. Daaruit volgt dat het beroep van appellant tegen dat besluit ongegrond moet worden verklaard.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 487,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 21 september 2011 ongegrond;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 487,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 118,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en M. Greebe en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) W. de Braal

nk