Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4394

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
07-01-2015
Zaaknummer
13-495 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De brief van 11 april 2010, met daarin het verzoek om alsnog de arbeidsongeschiktheid van appellant op de dag dat hij 17 jaar werd te beoordelen, is gedaan hangende de in 1.2 genoemde procedure over appellant zijn aanspraak op een WAJONG-uitkering. Tegen die achtergrond kan de brief van 11 april 2010 niet worden aangemerkt als een op zichzelf staande aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb, maar moet deze worden gezien als een herhaling van al eerder in die procedure aangevoerde argumenten. Nu er geen sprake was van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb, heeft het Uwv ook geen dwangsom verbeurd op grond van artikel 4:17 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2015/20
NJB 2015/179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/495 WAJONG

Datum uitspraak: 24 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

14 december 2012, 11/2176 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Bovenkamp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2014. Voor appellant is verschenen mr. Bovenkamp. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft op 22 januari 2009 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd met ingang van 1 oktober 2007. Het Uwv heeft de aanvraag bij besluit van 20 mei 2009 afgewezen, omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarde dat hij in het jaar, voorafgaande aan zijn arbeidsongeschiktheid, gedurende ten minste zes maanden studerende was in de zin van de wet.

1.2.

Bij besluit van 6 oktober 2009 heeft het Uwv afwijzend beslist op een door appellant ingediend verzoek om terug te komen van het besluit van 20 mei 2009. Het tegen het besluit van 6 oktober 2009 gemaakte bezwaar is bij besluit van 10 februari 2010 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen het besluit van 10 februari 2010 beroep ingesteld, bij de rechtbank bekend onder registratienummer 10/392 WAJONG V.

1.3.

Hangende de in 1.2 genoemde procedure heeft appellant het Uwv bij brief van

11 april 2010 verzocht alsnog een beslissing te nemen over de vraag of appellant op de dag waarop hij 17 jaar werd arbeidsongeschikt was. Wegens het uitblijven van een besluit heeft appellant het Uwv bij brief van 19 juli 2010 in gebreke gesteld onder verwijzing naar artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij heeft gevorderd dat het Uwv binnen twee weken een beslissing neemt op zijn verzoek van 11 april 2010 en heeft erop gewezen dat, bij uitblijven van een beslissing binnen die termijn, het Uwv een dwangsom verschuldigd is conform voormeld wetsartikel, waarop appellant aanspraak maakt.

1.4.

Naar aanleiding van de aanvraag van 22 januari 2009 en in vervolg op de in 1.2 genoemde procedure heeft het Uwv appellant bij besluit van 1 juni 2011 alsnog een

Wajong-uitkering toegekend per 29 januari 2008. Tegen de ingangsdatum van deze toekenning is bezwaar gemaakt.

1.5.

In reactie op de ingebrekestelling van 19 juli 2010 heeft het Uwv bij besluit van

10 augustus 2011 geweigerd appellant een vergoeding ingevolge de Wet dwangsom te betalen, omdat de brief van 11 april 2010 niet kan worden gezien als verzoek om een besluit te nemen en de Wet dwangsom daarom niet van toepassing is.

1.6.

Het Uwv heeft het tegen het besluit van 10 augustus 2011 gemaakte bezwaar bij besluit van 15 november 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het Uwv geen dwangsom verschuldigd is.

3. In hoger beroep heeft appellant zich evenals in beroep op het standpunt gesteld dat bij het besluit van 20 mei 2009 wel is beslist op de vraag of hij in het jaar voorafgaande aan zijn arbeidsongeschiktheid gedurende tenminste zes maanden studerende in de zin van de

Wet Wajong was, maar niet op de vraag of hij op de dag waarop hij 17 jaar oud werd, arbeidsongeschikt was. In de brief van 11 april 2010 is uitdrukkelijk verzocht om die laatste vraag alsnog te beantwoorden. Een dergelijk verzoek dient naar de mening van appellant te worden aangemerkt als een op zichzelf staande aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Aangezien een besluit uitbleef, is het Uwv bij brief van 19 juli 2010 in gebreke gesteld. De Raad is verzocht het Uwv te veroordelen tot betaling van de maximale dwangsom van € 1.260,- aan appellant.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Centraal staat de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant de maximale dwangsom te betalen. In dit verband is vooreerst van belang of de brief van 11 april 2010 moet worden aangemerkt als een aanvraag zoals bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb.

Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

4.2.

Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, eerste volzin, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, maar voor ten hoogste 42 dagen.

4.3.

De brief van 11 april 2010, met daarin het verzoek om alsnog de arbeidsongeschiktheid van appellant op de dag dat hij 17 jaar werd te beoordelen, is gedaan hangende de in 1.2 genoemde procedure over appellant zijn aanspraak op een WAJONG-uitkering. Tegen die achtergrond kan de brief van 11 april 2010 niet worden aangemerkt als een op zichzelf staande aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb, maar moet deze worden gezien als een herhaling van al eerder in die procedure aangevoerde argumenten. Nu er geen sprake was van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb, heeft het Uwv ook geen dwangsom verbeurd op grond van artikel 4:17 van de Awb.

4.5.

Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, kan het hoger beroep niet slagen en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en C.C.W. Lange en

R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) I. Mehagnoul

RB