Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4393

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
08-01-2015
Zaaknummer
12-6675 WWAJ
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:4113, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wajong-uitkering. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/6675 WWAJ

Datum uitspraak: 24 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van

13 november 2012, 12/2683 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.L. van Os, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante is er een medische verklaring in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd behandeld met het geding 13/5957 WWAJ, plaats gehad op 12 november 2014. Appellante is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos. Ter afdoening zijn de gevoegde zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren op [datum] 1991, is tot 17 juni 2011 werkzaam geweest als koerier. Ook volgde zij op dat moment een studie, welke zij in september 2011 heeft afgebroken. Op 18 november 2011 heeft appellante zich vanuit een situatie van werkloosheid ziek gemeld met ingang van 1 september 2011 wegens spanningsklachten. Aan appellante is met ingang van 1 september 2011 een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend.

1.2.

Op 23 november 2011 heeft appellante bij het Uwv een aanvraag op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) ingediend. Deze aanvraag is na verzekeringsgeneeskundig onderzoek bij besluit van 30 december 2011 afgewezen.

1.3.

Bij besluit van 7 februari 2012 heeft het Uwv de Ziektewetuitkering van appellante met ingang van 13 februari 2012 beëindigd.

1.4.

De tegen de besluiten van 24 november 2011 en 7 februari 2012 gemaakte bezwaren zijn, na nader medisch onderzoek, bij besluit van 2 mei 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dat besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat het medisch heronderzoek heeft bevestigd dat bij appellante nimmer sprake is geweest van functionele beperkingen door ziekte of gebrek, waardoor zij niet voldoet aan de voorwaarde voor het recht op een

Wajong-uitkering. Het ontbreken van functionele beperkingen door ziekte of gebrek heeft volgens het Uwv ook tot gevolg dat appellante per 13 februari 2012 niet (langer) ongeschikt is om haar koerierswerk te verrichten.

2.1.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

2.2.

De rechtbank heeft ten aanzien van de weigering appellante een Wajong-uitkering toe te kennen, geoordeeld dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door appellante gestelde vermoeidheidsklachten. De medische informatie is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep betrokken in het oordeel. Appellante heeft in beroep geen medische informatie overgelegd die aanleiding geeft aan het standpunt van de verzekeringsartsen te twijfelen. Het Uwv heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat er nimmer, dus ook niet op het moment dat de arbeidsondersteuning mogelijk zou ingaan (zestien weken na aanvraag), sprake is geweest van verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. Aan de vraag of appellante op grond van artikel 2:3, eerste lid, aanhef en onder a (18-jarige leeftijd) of onder b (als studerende), van de Wet Wajong als jonggehandicapte diende te worden aangemerkt, behoeft volgens de rechtbank niet meer te worden toegekomen. Een dergelijke vaststelling kan gezien artikel 2:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong immers in dit geval niet tot toekenning van een recht leiden.

2.3.

Ten aanzien van de beëindiging van de Ziektewetuitkering heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaats gevonden en zij verwijst daarbij naar hetgeen onder 2.1 is overwogen. Verder hebben de verzekeringsartsen voldoende gemotiveerd te kennen gegeven waarom zij van mening zijn dat appellante geschikt is om haar eigen arbeid te verrichten. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsartsen en is daarom van oordeel dat het Uwv op goede gronden de Ziektewetuitkering van appellante heeft beëindigd per 13 februari 2012.

3. In hoger beroep heeft appellante haar in eerste aanleg aangevoerde grieven herhaald. Volgens appellante is zij niet, dan wel in verminderde mate, in staat loonvormende arbeid te verrichten. Het feit dat zij een tijdlang wel loonvormende arbeid heeft verricht maakt dat niet anders, nu deze arbeid niet op normaal niveau plaats vond. Zij meent daarom nog steeds aanspraak te hebben op een Wet Wajong- en een Ziektewetuitkering. Ter onderbouwing van haar stelling heeft appellante gewezen op de verklaring van psychiater A.M.G. de Pender van 29 juli 2014.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is in voldoende mate zorgvuldig en volledig. De bevindingen zijn op inzichtelijke wijze gerapporteerd. Daartoe overweegt de Raad dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante heeft gezien, het dossier heeft bestudeerd en de door appellante in bezwaar ingebrachte informatie van de huisarts en verslagen van psychologen bij de beoordeling heeft betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen medische argumenten gezien om af te wijken van de primaire beoordeling en heeft daartoe in zijn rapport het volgende overwogen:

“Cliënte werd zowel door de verzekeringsarts WAJONG als door de verzekeringsarts ZW gezien en onderzocht. Er vond telkens een uitgebreide anamnese en een psychisch onderzoek plaats. De verzekeringsarts ZW deed ook lichamelijk onderzoek. Beide verzekeringsartsen konden weinig afwijkingen vinden, noch stoornissen als gevolg van ziekte, noch functionele beperkingen hierdoor. In bezwaar zijn geen nieuwe medische feiten of wendingen aan bod gekomen die een ander licht werpen op de gezondheidstoestand van cliënte. Recent psychisch onderzoek door psycholoog en klinische psycholoog (praktijk van Waterschoot) kon geen ontwikkelingsprobleem of een andere psychische aandoening objectiveren. Ook gegevens van huisarts en van eerder onderzoek levert geen argumenten aan voor het bestaan van een psychisch ziektebeeld. Dat er bij cliënte weliswaar spanningen aanwezig zijn (...) wordt niet in twijfel getrokken, maar niet is aangetoond dat een psychische stoornis aan de basis van die spanningen ligt.

Het feit dat cliënte in staat is geweest om ongeveer 6 maanden loonvormende arbeid te verrichten, wijst er op dat zij voldoende functionele mogelijkheden had c.q. arbeidsgeschikt was. De reden waarom cliënte haar arbeid stopte was niet medisch. De belastbaarheid van cliënte is niet door ziekte aangetast en is nog steeds voldoende om de belasting van het eigen werk (koerier) aan te kunnen. In verband met haar klachten werd cliënte tijdens de ZW-periode niet behandeld, noch d.m.v. gesprekken (huisarts, psycholoog of psychiater), noch d.m.v. medicatie.”

4.2.

Door appellante zijn ook in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd, op grond waarvan de overwegingen en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet kunnen worden onderschreven. Uit de verklaring van psychiater De Pender van 29 juli 2014 komen ten opzichte van de alle reeds aanwezige gegevens geen nieuwe bevindingen naar voren met betrekking tot de datum hier in geding.

4.3.

Gelet op hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) H.J. Dekker

nk