Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4382

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
07-01-2015
Zaaknummer
14-2301 WWB-V
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond. De gronden van het hoger beroep zijn niet tijdig ingediend. Appellant heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Datum uitspraak: 23 december 2014

14/2301 WWB-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 13 maart 2014, 14/266 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Winschoten (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 9 oktober 2014 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Appellant heeft verzet gedaan.

Het verzet is behandeld ter zitting van 9 december 2014, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. H. van der Veen. Betrokkene is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 9 oktober 2014 berust op de overwegingen dat de gronden van het beroep niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 10 juni 2014 gestelde termijn van vier weken zijn ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is.

In verzet heeft appellant aangevoerd dat voor de formulering van de beroepsgronden is gewacht op het proces-verbaal van de rechtbank. Nadat de Raad op 14 juli 2014 een afschrift van het proces-verbaal aan appellant heeft gezonden, zijn de gronden van het hoger beroep bij brief van 17 juli 2014 ingediend. Aangezien de Raad de brief van 17 juli 2014 niet heeft ontvangen, is ter zitting een afschrift van de verzendadministratie overgelegd.

De Raad stelt vast dat appellant geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest. Nog daargelaten de vraag of uit het overgelegde verzendbewijs kan worden afgeleid dat de beroepsgronden bij brief van 17 juli 2014 zijn verzonden, was 8 juli 2014 de laatste dag waarop tijdig de gronden van het hoger beroep konden worden ingediend. Ook als de Raad de brief van 17 juli 2014 wel had ontvangen, waren de gronden (dus) niet binnen de gestelde termijn ingediend. De Raad is van oordeel dat het op de weg van appellant had gelegen om zich binnen de in de brief van 10 juni 2014 gestelde termijn tot (de griffie van) de Raad te wenden en om verlenging van de termijn te vragen. Dat heeft hij echter niet gedaan. Van feiten of omstandigheden die hebben veroorzaakt dat appellant daartoe niet in staat is geweest, is niet gebleken.

Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.

Voor een veroordeling in de kosten van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2014.