Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4380

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
07-01-2015
Zaaknummer
CRvB 13-3119 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Kasstortingen. Recht op bijstand is wel vast te stellen. Opdracht tot het nemen van nieuwe besluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3119 WWB, 13/3120 WWB, 13/3121 WWB, 13/3122 WWB, 13/3123 WWB

13/3124 WWB, 13/6175 WWB, 13/6176 WWB, 14/5374 WWB

Datum uitspraak: 23 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

1 mei 2013, 12/4323, 12/5622, 12/5635 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. B.P. Kuhn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2014. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Kuhn en L. Celik als tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor gehuwden. Op 16 januari 2007 is hun vermogen vastgesteld op een bedrag van € 3.097,30 negatief.

1.2.

Naar aanleiding van een interne melding heeft de afdeling Handhaving van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader zijn afschriften van de bankrekening van appellanten vanaf januari 2010 opgevraagd en nader onderzocht. Op de bankrekening van appellanten zijn verscheidene kasstortingen gedaan, waarvan appellanten geen mededeling hebben gedaan aan het college. Vervolgens heeft appellant op 1 maart 2012, 5 maart 2012 en 20 maart 2012 verklaringen afgelegd. Appellant heeft verklaard dat de stortingen voornamelijk voortvloeien uit gelden die appellanten hebben geleend van kennissen en familieleden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 21 maart 2012.

1.3.

Het college heeft in de resultaten van het onderzoek aanleiding gezien om bij besluit van 23 maart 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 juli 2012 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellanten met ingang van 9 juli 2010 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 9 juli 2010 tot en met 29 februari 2012 tot een bedrag van € 22.832,37 van hen terug te vorderen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van de stortingen op hun bankrekening. Omdat appellanten geen verifieerbare gegevens hebben verschaft over de herkomst van de kasstortingen hebben zij een onduidelijke situatie geschapen over hun financiële situatie als gevolg waarvan het recht op bijstand over de gehele periode niet is vast te stellen.

1.4.

Bij besluit van 13 juli 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 oktober 2012 (bestreden besluit 2), heeft het college het terugvorderingsbedrag gebruteerd en verhoogd met reeds afgedragen loonbelasting en premies en deze vordering vastgesteld op € 25.084,16.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van appellanten tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en het college opgedragen nieuwe beslissingen te nemen op de bezwaren van appellanten met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank heeft, samengevat, overwogen dat de intrekking beperkt dient te blijven tot de periode vanaf 10 januari 2011, zijnde de datum van de eerste kasstorting. Vanaf die datum kan niet meer worden vastgesteld of appellanten recht hadden op bijstand, aangezien er vanaf dat moment sprake was van onregelmatige kasstortingen met onbekende herkomst.

3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij besluit van 14 juni 2013 (nader besluit 1) het bezwaar tegen het besluit van 23 maart 2012 gedeeltelijk gegrond verklaard, de bijstand vanaf 10 januari 2011 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 10 januari 2011 tot en met 29 februari 2012 tot een bedrag van

€ 15.748,45 netto van appellanten teruggevorderd. Tevens heeft het college bij afzonderlijk besluit van 14 juni 2013 (nader besluit 2) het bezwaar tegen het besluit van 13 juli 2012 tot brutering van de vordering ongegrond verklaard en de vordering vastgesteld op € 17.366,44. De Raad zal deze besluiten op grond van het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling betrekken.

4. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank daarbij de intrekking vanaf 10 januari 2011 en de terugvordering over de periode van 10 januari 2011 tot en met 29 februari 2012 in stand heeft gelaten. Appellanten betwisten dat het recht op bijstand in deze periode niet kan worden vastgesteld. Zij stellen zich op het standpunt dat de kasstortingen leningen betreffen die zij moeten terugbetalen en dat zij de herkomst van de kasstortingen voldoende hebben verklaard. Op dezelfde gronden zijn appellanten het niet eens met de nadere besluiten.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.1.

Niet in geschil is dat op de bankrekening van appellanten in de hier te beoordelen periode van 10 januari 2011 tot en met 29 februari 2012 kasstortingen zijn gedaan tot een totaalbedrag van € 4.395,- en dat appellanten in augustus 2011 een bedrag van € 3.900,- contant hebben ontvangen.

5.1.2.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, worden tot de middelen gerekend alle inkomens- en vermogensbestanddelen waarover de alleenstaande beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat bepaalde, daar genoemde, inkomens- en vermogensbestanddelen niet tot de middelen worden gerekend, waaronder giften voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn.

5.1.3.

Volgens artikel 32, eerste lid, van de WWB wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze (a) betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, (…) dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en (b) betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

5.1.4.

Artikel 19, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, bepaalt dat een alleenstaande recht heeft op algemene bijstand indien (a) het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm en (b) er geen in aanmerking te nemen vermogen is. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is de hoogte van de algemene bijstand het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm.

5.1.5.

Ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, zoals deze bepaling ten tijde in geding luidde, kan het college een eerder genomen toekenningsbesluit herzien als het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

5.1.6.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3872) worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB. De stelling dat sprake is van geleende bedragen die moeten worden terugbetaald, leidt op zichzelf niet tot een ander oordeel. Allereerst is een geldlening in artikel 31, tweede lid, van de WWB niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Voorts worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandontvangers - ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt - naar vaste rechtspraak van de Raad als inkomen van de bijstandontvanger aangemerkt (uitspraken van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138; van 23 juli 2013 ECLI:NL:CRVB: 2013:1106 en van 4 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:705). Dat bij een aannemelijk gemaakte lening de schuldenlast van betrokkene toeneemt, is - in gevallen als hier waarin geen sprake is van een als vermogen aan te merken middel - niet van belang. Hetzelfde geldt voor de vraag of aan de lening een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden. Wat hiervoor ten aanzien van de bijstandontvanger is overwogen laat onverlet dat met betrekking tot degene, die (zonder ander inkomen) in afwachting is van een besluit op zijn aanvraag om algemene bijstand of na blokkering of opschorting van de bijstand geen bijstand ontvangt, ter voorziening in de kosten van levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van geldleningen, mogelijk anders kan worden geoordeeld (uitspraak van 18 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:455). Deze situatie doet zich hier echter niet voor.

5.1.7.

De conclusie moet zijn dat de kasstortingen moeten worden aangemerkt als inkomen in de maanden waarin zij zijn gedaan. Voor het contant ontvangen bedrag is dat in dit geval niet anders.

5.2.

Appellanten hadden bij het college melding moeten maken van het onder 5.1.7 genoemde inkomen. Door dat niet te doen hebben appellanten de wettelijke inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan te veel bijstand is verleend. Indien ondanks schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand kan worden vastgesteld, ook al is dit nihil, dient het bijstandsverlenend orgaan daartoe volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 20 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB6243) over te gaan. Er is dan geen plaats voor intrekking van de bijstand op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

5.3.

Het college heeft desgevraagd ter zitting van de Raad meegedeeld dat geen sprake is van concrete feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat appellanten méér inkomsten hebben gehad dan de onder 5.1.1 genoemde bedragen. Dit betekent dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het recht op bijstand in de te beoordelen periode niet is vast te stellen. Hieruit volgt dat de intrekking van de bijstand geen stand kan houden. Ditzelfde geldt voor de (gebruteerde) terugvordering. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden vernietigd voor zover het betreft de daarin gegeven opdracht aan het college tot het nemen van nieuwe beslissingen op de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 23 maart 2012 en 13 juli 2012 met inachtneming van wat in die uitspraak is overwogen. Met de vernietiging van de in de aangevallen uitspraak gegeven opdrachten is tevens de grondslag aan de besluiten van 14 juni 2013 komen te ontvallen, zodat deze besluiten - met gegrondverklaring van de beroepen - eveneens moeten worden vernietigd.

5.4.

Vervolgens moet worden bezien welk vervolg aan dit oordeel moet worden gegeven. De Raad heeft onvoldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien. De Raad zal het college daarom opdracht geven om met inachtneming van wat onder 5.5 wordt overwogen nieuwe beslissingen op de bezwaren van appellanten te nemen.

5.5.

Omdat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting tot een te hoog bedrag bijstand is verleend, is het college bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellanten over de maanden januari, april, augustus, oktober en november 2011 en februari 2012 te herzien dan wel in te trekken. Daarbij kunnen de kasstortingen in deze maanden als inkomen worden toegerekend aan de maand waarin de stortingen zijn gedaan. Als de kasstortingen in een maand hoger zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm kan de bijstand over die maand worden ingetrokken. Zijn de stortingen in een maand lager dan die norm, dan bestaat aanleiding voor herziening van de bijstand tot het bedrag van de stortingen. De kasstortingen blijken uit de bankafschriften. Eveneens kan het door appellanten in augustus 2011 contant ontvangen bedrag als inkomen aan die maand worden toegerekend. Voor zover dat bedrag hoger is dan de voor appellanten geldende norm voor die maand, moet het meerdere worden toegerekend aan het vermogen van appellanten, nu geen aanknopingspunten bestaan voor de vaststelling dat dit bedrag ontvangen is om tot inkomen in meer dan één maand te dienen, terwijl die toerekening, gelet op de onder 1.1 genoemde vermogenssituatie van appellanten, geen beletsel is voor voortzetting van bijstand. Het college is tevens bevoegd om met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de kosten van bijstand, voor zover deze tot een te hoog bedrag is verleend, van appellanten terug te vorderen en op grond van artikel 58, vierde lid, van de WWB het bedrag van de vordering te verhogen met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten.

5.6.

Nu het nog slechts gaat om een financiële uitwerking ziet de Raad af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot definitieve geschilbeslechting.

6. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en € 31,80 voor reiskosten van appellanten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten en voor zover daarbij aan het

college opdracht is gegeven tot het nemen van nieuwe besluiten op de bezwaren van

appellanten tegen de besluiten van 23 maart 2012 en 13 juli 2012 met inachtneming van haar

uitspraak;

- verklaart de beroepen tegen de besluiten van 14 juni 2013 gegrond;

- vernietigt de besluiten van 14 juni 2013, behoudens voor zover daarbij een vergoeding is

toegekend voor de kosten van appellanten in bezwaar;

- draagt het college op nieuwe beslissingen op de bezwaren van appellanten tegen de besluiten

van 23 maart 2012 en 13 juli 2012 te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 1.005,80;

- bepaalt dat het college aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 118,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en A.M. Overbeeke en

G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2014.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) O.P.L. Hovens

HD