Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4379

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
07-01-2015
Zaaknummer
CRvB 13-4492 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bedrijfskrediet wordt verrekend met het na te betalen bedrag aan bijstand. De omstandigheid dat ten tijde van het besluit tot verrekening een betalingsregeling van kracht was, is niet het gevolg van dat besluit, maar van het onder 1.1 genoemde (terugvorderings)besluit. De daarbij vastgestelde betalingsregeling staat, wat hiervan verder ook zij, niet in de weg aan het oordeel dat het college in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot verrekening gebruik heeft kunnen maken. Dat appellant de nabetaling had willen aanwenden om zijn schulden aan zijn broer en zijn advocaat te voldoen, doet aan dat oordeel niet af. Het college behoeft als crediteur van de onder 1.1 genoemde vordering, die voldoening van zijn vordering door verrekening kan bereiken, zijn belangen immers niet achter te stellen aan andere crediteuren van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/4492 WWB

Datum uitspraak: 23 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

27 juni 2013, 12/3545 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Middelharnis (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.M. Boot, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Boot. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 18 december 2009 heeft het college het in 2002 aan appellant ingevolge het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 verstrekte bedrijfskrediet van € 12.500,-, vermeerderd met rente tot een bedrag van € 14.071,63, teruggevorderd. Over de terugbetaling van dit bedrag heeft appellant met het college een betalingsregeling getroffen. Dit besluit is inmiddels in rechte onaantastbaar.

1.2.

Naar aanleiding van daartoe ingediende aanvragen om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) heeft het college, voor zover van belang, aanvankelijk aan appellant met ingang van 21 september 2010 bijstand toegekend. Bij besluit van 26 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover van belang, aan appellant met ingang van 23 april 2010 bijstand toegekend. Daarbij heeft het college het over de periode van 23 april 2010 tot

21 september 2010 aan appellant na te betalen bedrag aan bijstand van € 3.434,15 (de nabetaling) verrekend met het nog openstaande bedrag van € 13.940,73 van de onder 1.1 genoemde vordering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op het ter zitting verhandelde is niet (meer) in geschil dat het college bevoegd was om tot verrekening over te gaan. In geschil is nog de wijze waarop het college van deze bevoegdheid tot verrekening gebruik heeft gemaakt.

4.2.

Appellant betwist dat het college in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot verrekening gebruik heeft kunnen maken. Hij heeft hierbij gewezen op de onder 1.1 bedoelde betalingsregeling, die ten tijde van het bestreden besluit nog steeds van kracht was. In dit verband heeft appellant betoogd dat het college, alvorens tot verrekening over te gaan, deze betalingsregeling gestand had moeten doen. Voorts heeft appellant betoogd dat hij de nabetaling had willen aanwenden om zijn schulden aan onder meer zijn broer en zijn advocaat te voldoen.

4.3.

De omstandigheid dat ten tijde van het besluit tot verrekening een betalingsregeling van kracht was, is niet het gevolg van dat besluit, maar van het onder 1.1 genoemde besluit. De daarbij vastgestelde betalingsregeling staat, wat hiervan verder ook zij, niet in de weg aan het oordeel dat het college in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot verrekening gebruik heeft kunnen maken. Dat appellant de nabetaling had willen aanwenden om zijn schulden aan zijn broer en zijn advocaat te voldoen, doet aan dat oordeel niet af. Het college behoeft als crediteur van de onder 1.1 genoemde vordering, die voldoening van zijn vordering door verrekening kan bereiken, zijn belangen immers niet achter te stellen aan andere crediteuren van appellant.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en G.M.G. Hink en

R. van der Spoel als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) O.P.L. Hovens

HD