Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4373

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
07-01-2015
Zaaknummer
CRvB 13-4130 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand adresloze. Ook van iemand die stelt adresloos te zijn in de zin van artikel 40, eerste lid, van de WWB, kan worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaatsen, juist om vast te stellen dat hij ook werkelijk adresloos is en niet een vast hoofdverblijf heeft. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene geen juiste en volledige inlichtingen heeft verschaft over zijn feitelijke verblijfplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/4130 WWB

Datum uitspraak: 23 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 juli 2013, 13/699 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. R.G.P. van Marle, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Van Marle.

OVERWEGINGEN


1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2.

Betrokkene ontving sinds 24 oktober 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.3.

Op 18 september 2012 heeft de afdeling Bijzondere Doelgroepen van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam gemeld dat betrokkene vanaf 13 augustus 2012 dakloos is geworden. Naar aanleiding hiervan heeft appellant de Dienst Werk en Inkomen (DWI) een onderzoek laten instellen naar de feitelijke woonsituatie van betrokkene. In dat kader is dossieronderzoek verricht en is betrokkene op 19 oktober 2012 gehoord. Op 25 en

26 oktober 2012 hebben locatiebezoeken plaatsgevonden op de door betrokkene opgegeven verblijfslocaties. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van

26 oktober 2012.

1.4.

Bij besluit van 5 december 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 januari 2013 (bestreden besluit), heeft appellant de bijstand van betrokkene per 26 oktober 2012 ingetrokken. Daaraan heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene tweemaal niet is aangetroffen op de door hem opgegeven locaties en dat hij niet heeft doorgegeven dat hij daar (tijdelijk) niet verbleef. Daarmee heeft betrokkene volgens appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet langer is vast te stellen.


De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 5 december 2012 herroepen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant op grond van zijn beleid maatwerk diende te leveren voor personen uit de bijzondere doelgroep. Het intrekken van de bijstand op de grond dat betrokkene op 25 oktober 2012 niet is aangetroffen op een van de opgegeven locaties en hij op 26 oktober 2012 is aangetroffen in de directe nabijheid van een van de door hem opgegeven locaties met een aannemelijke verklaring, kan volgens de rechtbank niet worden aangemerkt als het door appellant voorgestane maatwerk.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of betrokkene in de hier te beoordelen periode, die loopt van 26 oktober 2012 tot en met 5 december 2012, de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden door onjuiste opgave te doen van zijn feitelijke verblijfplaats, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

4.2.

Voorop staat dat controleerbare gegevens over de feitelijke woon- en verblijfplaats van essentieel belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Ook van iemand die stelt adresloos te zijn in de zin van artikel 40, eerste lid, van de WWB, kan worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaatsen, juist om vast te stellen dat hij ook werkelijk adresloos is en niet een vast hoofdverblijf heeft. In dat geval heeft de betrokkene immers jegens de aangewezen centrumgemeente geen recht op bijstand als dakloze. Betrokkene was dan ook gehouden uit eigen beweging juiste en volledige opgave te doen van de plaatsen waar hij verbleef. Zie de uitspraak van de Raad van 10 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2739.

4.3.

Uit de gedingstukken blijkt dat betrokkene op 18 september 2012 het formulier “Opgave verblijfslocatie(s) dak-thuisloze” heeft ingevuld en ondertekend en daarbij opgave heeft gedaan van de door hem gebruikte verblijfslocaties in Amsterdam. Met deze ondertekening heeft betrokkene zich geconformeerd aan de volgende, op het formulier afgedrukte verklaring:

“Klant verklaart hiermee op de door hem opgegeven adressen/locaties te verblijven en dat deze opgave volledig is. Klant verklaart hierbij op de hoogte te zijn van de inlichtingenplicht artikel 17.1 WWB en dat iedere wijziging in zijn woon-leefsituatie doorgegeven dient te worden aan de Dienst Werk en Inkomen. Klant verklaart medewerking te zullen verlenen aan het huis- locatiebezoek en zal onverwijld uit eigen beweging mededeling doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.” Dit formulier biedt tevens ruimte om bijzonderheden op te geven, waarbij expliciet als voorbeeld is vermeld tijdstippen van vertrek en aankomst. Van deze ruimte heeft betrokkene geen gebruik gemaakt.


4.4. Tijdens het gesprek met de handhavingsspecialist op 19 oktober 2012 heeft betrokkene verklaard dat hij altijd slaapt in [plaats] op de galerij van de [flat], in de lifthal op de 2e of 7e etage en dat hij daar tot ongeveer 06:00 uur verblijft. Dit heeft betrokkene nogmaals bevestigd in het telefoongesprek op 23 oktober 2012, waarbij hij de ingang nader aanduidde als tegenover de kinderboerderij. Het door de DWI ingestelde onderzoek is op deze verklaringen gericht geweest, mede in aanmerking genomen het tijdstip van de controle op de opgegeven locaties. Twee handhavingsspecialisten hebben op 25 en

26 oktober 2012 vanaf omstreeks 05:45 uur locatiebezoeken afgelegd. Op eerstgenoemde datum is betrokkene niet aangetroffen. Omdat ingang B zich tegenover de kinderboerderij bevindt, hebben de handhavingsspecialisten ook de beide locaties bij ingang B gecontroleerd, waarbij betrokkene ook niet werd aangetroffen. Op 26 oktober 2012 is betrokkene niet op de opgegeven verblijfslocaties bij de ingangen B en C aangetroffen, maar is hij wel, na telefonisch contact, aangetroffen op het adres [adres]. Dit betekent dat betrokkene tot tweemaal toe niet verbleef op de door hem opgegeven verblijfslocatie.

4.5.

Gelet op het bovenstaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene geen juiste en volledige inlichtingen heeft verschaft over zijn feitelijke verblijfplaats. Het enkele feit dat betrokkene, na telefonisch contact, op 26 oktober 2012 in de directe omgeving van de door hem opgegeven verblijfslocatie is aangetroffen op het adres [adres], is onvoldoende om anders te oordelen. Uitgaande van de lezing van betrokkene dat hij die dag om 05.30 uur naar de woning [adres] is gegaan om te plassen en om paracetamol te krijgen tegen hoofdpijn, valt niet direct in te zien dat hij niet tijdig terug had kunnen zijn op de opgegeven locatie toen de handhavingsspecialisten naar hem zochten, nu die locatie volgens betrokkene op nog geen 100 meter afstand was van de woning. Mede gelet op het in 4.3 genoemde door betrokkene ondertekende formulier had het hem ook duidelijk kunnen zijn dat zijn aanwezigheid op de opgegeven locatie van wezenlijk belang was voor de bijstandsverlening. Dit leidt tot de conclusie dat betrokkene ten tijde van de onderzoeken op 25 en 26 oktober 2012 niet aanwezig was op de door hem opgegeven verblijflocaties en dat ook niet kon worden vastgesteld op welke locatie hij die nachten had doorgebracht. Betrokkene heeft ook nadien daarover niet de nodige opheldering verschaft.


4.6. Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat appellant terecht heeft vastgesteld dat betrokkene de op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet langer kon worden vastgesteld. Dit leidt tot de conclusie dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 januari 2013 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2014.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) T.A. Meijering

IJ