Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4367

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
07-01-2015
Zaaknummer
CRvB 13-3910 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Wijziging motivering besluit: Appellant is niet woonachtig in de gemeente. De rechtbank laat de rechtsgevolgen in stand. In wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd - in wezen een herhaling van wat in beroep is aangevoerd - heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om in andere zin dan de rechtbank te oordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3910 WWB

Datum uitspraak: 23 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

13 juni 2013, 12/1196 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Sociale Dienst Oost Achterhoek (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.M. de Roo, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2014. Appellant is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. te Spenke.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving van 14 juli 2008 tot 12 september 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Bij zijn bijstandsaanvraag heeft appellant als zijn feitelijke woon- en verblijfplaats het adres van zijn ouders opgegeven, te weten [adres 1] ([gemeente]).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme tip in oktober 2010 dat appellant samenwoont met [naam] (N) op haar adres [adres 2], heeft de Sociale Recherche Twente (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht, informatie opgevraagd bij diverse instanties en waarnemingen verricht bij de woning van N. Voorts zijn appellant, zijn ouders en N verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van de sociale recherche van 29 februari 2012.

1.3.

Op grond van de bevindingen van het onderzoek heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 6 februari 2012 de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2009 tot

12 september 2011 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 31.619,31 van hem teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 19 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 februari 2012 ongegrond verklaard. Het dagelijks bestuur heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met N, waarvan hij in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting geen mededeling heeft gedaan. Appellant was geen zelfstandig subject van bijstand, zodat hij geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven. De rechtbank heeft hiertoe - samengevat weergegeven - overwogen dat het dagelijks bestuur ter zitting de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende motivering heeft gewijzigd, in die zin dat appellant in de periode in geding niet in de gemeente [gemeente] woonachtig was, zodat er geen recht bestaat op bijstand jegens deze gemeente. Hieruit volgt dat het bestreden besluit gebaseerd was op een onjuiste grondslag en daarmee in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat appellant en de ouders van appellant hun verklaringen niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk hebben afgelegd. Aangezien evenmin is gebleken van andere bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan een onjuiste verklaring tot stand is gekomen, kan van deze verklaringen worden uitgegaan. Uit de verklaringen van appellant van 8 november 2011 blijkt dat hij vanaf 30 juni 2008 ongeveer drie maanden bij zijn ouders in [plaats 1] heeft verbleven en dat hij daarna weer is vertrokken. Vervolgens heeft hij op verschillende adressen (buiten de gemeente [gemeente]) verbleven en is hij begin juli 2011 ingetrokken bij N in [plaats 2]. Dit sluit aan bij de verklaringen van de ouders van appellant dat hij wegens problemen met N twee of drie maanden bij hen heeft gewoond en dat hij daarna naar N is teruggegaan. Gezien de feiten en omstandigheden is aannemelijk geworden dat appellant in de periode in geding zijn hoofdverblijf niet in de gemeente [gemeente] had. Ingevolge artikel 40 van de WWB bestaat voor appellant voor de periode in geding dan ook geen recht op bijstand jegens deze gemeente, zodat deze onverschuldigd aan hem is betaald. Het dagelijks bestuur was dan ook bevoegd tot intrekking en terugvordering van de aan appellant betaalde bijstand.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten. Appellant bestrijdt dat hij gedurende de gehele periode van 2008 tot en met 2011 niet woonachtig was op het opgegeven adres van zijn ouders, zodat het dagelijks bestuur de bijstand niet over de gehele periode had mogen intrekken en terugvorderen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant in de periode van

1 januari 2009 tot 12 september 2011 niet zijn hoofdverblijf had in de gemeente [gemeente]. De Raad verwijst daartoe naar de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. In wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd - in wezen een herhaling van wat in beroep is aangevoerd - heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om in andere zin dan de rechtbank te oordelen.

4.2.

Door hiervan geen melding te maken bij het dagelijks bestuur, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden. Nu appellant niet zijn hoofdverblijf had in de gemeente [gemeente], bestond er geen recht op bijstand jegens deze gemeente. Het dagelijks bestuur was daarom op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand over de periode van 1 januari 2009 tot 12 september 2011 in te trekken. Daarmee is tevens gegeven dat het dagelijks bestuur op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB (oud) bevoegd was om de over deze gehele periode gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen. Appellant heeft tegen de gebruikmaking van deze bevoegdheden en de hoogte van de terugvordering geen zelfstandige gronden aangevoerd, zodat deze buiten bespreking kunnen worden gelaten.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2014.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

HD