Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4363

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
07-01-2015
Zaaknummer
CRvB 13-3998 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstand ten onrecht geblokkeerd. Vaststaat dat het formulier ‘opgave inkomsten’ niet aangetekend is verzonden en dat het college niet beschikt over een deugdelijke verzendadministratie. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, heeft het college met de toelichting op het zogenoemde PV-systeem waarmee in een geval als dit geautomatiseerd een formulier ‘opgave inkomsten’ aan de betrokkene wordt toegezonden, niet aannemelijk gemaakt dat het formulier naar appellant is verzonden. De enkele omstandigheid dat in dat systeem is aangevinkt dat het formulier aan appellant is verzonden, is daarvoor onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/29
ABkort 2015/25
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3998 WWB

Datum uitspraak: 23 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 juni 2013, 13/297 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 11 november 2014. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant heeft daarnaast wisselende inkomsten uit uitzendwerk. In verband hiermee stuurt de dienst Sociale Zaken en Werk van de gemeente Groningen (dienst) appellant maandelijks een formulier ‘opgave inkomsten’.

1.2.

Appellant heeft de dienst op 19 december 2012 met een formulier ‘melding nieuwe informatie (mutatie)’ doorgegeven dat zijn werk per 2 december 2012 is gestopt. In reactie op de melding is appellant een formulier ‘opgave inkomsten’ toegezonden.

1.3.

Het college heeft in januari 2013 de uitbetaling van de bijstand van appellant geblokkeerd op de grond dat de dienst het formulier ‘opgave inkomsten’ over de maand januari 2013 niet van appellant heeft terugontvangen.

1.4.

Appellant heeft bij brief van 1 februari 2013 tegen de blokkering bezwaar gemaakt en een klacht ingediend. Naar aanleiding van de klacht heeft het college de bijstand op 5 februari 2013 alsnog aan appellant uitbetaald.

1.5.

Bij besluit van 8 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de blokkering niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de bijstand weer betaalbaar is gesteld en appellant geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar. Het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten voor verleende rechtsbijstand heeft het college afgewezen op de grond dat van een aan de dienst (lees: college) te wijten onrechtmatigheid geen sprake is. Nu appellant het formulier ‘opgave inkomsten’ niet heeft ingeleverd, is de betaling van de bijstand terecht geblokkeerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten achtte de rechtbank geen aanleiding.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank daarbij heeft geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In hoger beroep is uitsluitend in geding of appellant aanspraak kan maken op vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten.

4.2.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuur te wijten onrechtmatigheid.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat hij in januari 2013 geen formulier ‘opgave inkomsten’ heeft ontvangen en dus ook niet aan het college kon retourneren. Dit betekent dat de blokkering aan het college te wijten is en onrechtmatig is. Het college is om die reden de in bezwaar gemaakte kosten verschuldigd.

4.4.

Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden brief niet heeft ontvangen, is het in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat de brief wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van de brief op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie.

4.5.

Vaststaat dat het formulier ‘opgave inkomsten’ niet aangetekend is verzonden en dat het college niet beschikt over een deugdelijke verzendadministratie. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, heeft het college met de toelichting op het zogenoemde PV-systeem waarmee in een geval als dit geautomatiseerd een formulier ‘opgave inkomsten’ aan de betrokkene wordt toegezonden, niet aannemelijk gemaakt dat het formulier naar appellant is verzonden. De enkele omstandigheid dat in dat systeem is aangevinkt dat het formulier aan appellant is verzonden, is daarvoor onvoldoende.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat appellant niet kan worden tegengeworpen dat hij het betreffende formulier niet bij het college heeft ingeleverd. Het college was daarom niet bevoegd om de bijstand van appellant te blokkeren. Gelet hierop was sprake van een aan het college te wijten onrechtmatigheid en diende het college de in bezwaar gemaakte kosten van appellant te vergoeden. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij geen veroordeling in de kosten in bezwaar is uitgesproken. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad, zelf voorziend, het college alsnog in de in bezwaar gemaakte kosten veroordelen. Deze kosten worden begroot op € 944,- voor verleende rechtsbijstand.

5. Aanleiding bestaat voorts om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 944,- in beroep en op € 472,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het college daarbij niet in de kosten in

bezwaar van appellant is veroordeeld;

- bepaalt dat het college ter zake van de kosten in bezwaar € 944,- dient te voldoen;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige voor zover aangevochten;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.416,-;
- bepaalt dat het college het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 162,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2014.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

HD