Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4362

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
07-01-2015
Zaaknummer
CRvB 14-5838 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Kortsluiting. Intrekking bijstand. Nieuwe aanvraag is buiten behandeling gesteld. Niet overleggen van paspoort. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat verzoeker de inlichtingenverplichting heeft geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand van verzoeker niet kan worden vastgesteld. n de verklaring van de huisarts van verzoeker van 22 september 2014 is geen steun te vinden voor het standpunt van verzoeker dat hem niet kan worden verweten dat hij niet alle gevraagde gegevens kan overleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/5838 WWB, 14/5839 WWB-VV

Datum uitspraak: 23 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. S. Smeets, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg (rechtbank) van 7 oktober 2014, 14/2667 en 14/2668 (aangevallen uitspraak) en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2014. Voor verzoeker is verschenen mr. Smeets. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Volleberg.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoeker ontving vanaf 25 februari 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Bij besluit van 18 oktober 2013 heeft het college de bijstand van appellant ingetrokken.

1.3.

Op 15 januari 2014 heeft verzoeker zich gemeld voor het doen van een aanvraag en op

29 januari 2014 heeft hij een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van

27 maart 2014 heeft het college de aanvraag van verzoeker buiten behandeling gesteld.

1.4.

Bij besluit van 4 augustus 2014 (bestreden besluit), voor zover van belang, heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 27 maart 2014 ongegrond verklaard. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker de inlichtingenverplichting heeft geschonden waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college verzoeker terecht heeft tegengeworpen dat hij geen inzage heeft gegeven in zijn Iraakse paspoort. Hierdoor is het college de mogelijkheid ontnomen om te verifiëren of verzoeker in december 2013 en

januari 2014 al dan niet buiten Europa verbleef. De verklaring van verzoeker dat hij in de kerstvakantie in Duitsland verbleef heeft hij niet met verifieerbare gegevens onderbouwd, bovendien heeft hij over zijn verblijf in Duitsland tegenstrijdig verklaard. Daarnaast heeft verzoeker niet met concrete en verifieerbare gegevens inzichtelijk gemaakt op welke wijze hij vanaf 15 januari 2014 in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt nauwelijks van pinbetalingen bij onder meer supermarkten ten behoeve van de dagelijkse kosten van het bestaan en de mededeling van verzoeker dat hij is onderhouden door zijn familie, vrienden en de Iraakse gemeenschap is niet concreet en verifieerbaar. De stortingen op de bankrekening van verzoeker stemmen niet overeen met door hem overgelegde bewijsstukken van Western Union. Hieruit blijkt wel dat[naam 1] aan verzoeker geld heeft gestuurd maar uit zijn verklaring van 25 april 2014 blijkt niet afdoende wat de reden voor die stortingen is geweest. Ook de verklaring van [naam 2] dat hij geld heeft geleend aan verzoeker vindt geen steun in objectieve en verifieerbare bewijsstukken. Bovendien heeft het college het terecht merkwaardig geacht dat verzoeker in de te beoordelen periode voor zijn zoon diverse boetes en een belastingaanslag heeft betaald terwijl hij heeft verklaard dat hij niet over middelen van bestaan beschikt en zijn zoon wel een inkomen heeft in de vorm van studiefinanciering.

3. Verzoeker heeft in hoger beroep, evenals in bezwaar en beroep, samengevat, aangevoerd dat voldoende stukken aanwezig zijn om de aanvraag te beoordelen en om vast te kunnen stellen dat verzoeker onvoldoende middelen heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien. Daarnaast heeft hij alle gegevens verstrekt waarover hij redelijkerwijs de beschikking had dan wel kon krijgen. Onder verwijzing naar de door hem overlegde verklaring van zijn huisarts heeft verzoeker aangevoerd dat het voor hem, mede gezien zijn sociale, mentale en cognitieve capaciteiten, niet mogelijk was verdere gegevens aan te leveren.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

4.4.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 15 januari 2014, de datum waarop verzoeker zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 4 augustus 2014, de datum waarop het college alsnog inhoudelijk op de aanvraag heeft beslist.

4.5.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.6.

Wat verzoeker in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat hij reeds in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft de in beroep ingediende gronden van appellante op juiste wijze besproken en op de onder 2 vermelde overwegingen afdoende gemotiveerd waarom die beroepsgronden niet slagen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat verzoeker de inlichtingenverplichting heeft geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand van verzoeker niet kan worden vastgesteld. De voorzieningenrechter van de Raad verenigt zich daarom met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. De voorzieningenrechter voegt hier nog het volgende aan toe.

4.7.

In de verklaring van de huisarts van verzoeker van 22 september 2014 is geen steun te vinden voor het standpunt van verzoeker dat hem niet kan worden verweten dat hij niet alle gevraagde gegevens kan overleggen. Uit deze verklaring blijkt immers slechts dat de behandeling van verzoeker bij zijn psychiater in april 2014 is afgerond, dat hij mogelijk een lager I.Q. heeft dan gemiddeld, maar dat dit niet is getest, dat hij toen geen hulpvraag meer had op het gebied van zijn geestelijke gezondheid en dat hij voor het oplossen en kanaliseren van administratieve problemen naar het maatschappelijk werk is verwezen.

4.8.

Uit 4.6 en 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.9.

Onder deze omstandigheden is geen grond aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter, in tegenwoordigheid van

T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

23 december 2014.

(getekend) M. Hillen

(getekend) T.A. Meijering

HD