Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4359

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
07-01-2015
Zaaknummer
CRvB 13-3065 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. Anders dan appellant stelt, heeft het college met de uittrekselgegevens geen nieuwe feiten aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd, maar daarmee slechts de betrouwbaarheid van de processen-verbaal - bij gebreke van ondertekende originelen - aannemelijk gemaakt. Uit artikel 64, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB volgt dat het college bevoegd is inlichtingen in te winnen bij de korpschef. Mede gelet op deze bepaling heeft het college de processen-verbaal terecht in beschouwing genomen. De enkele niet onderbouwde stelling dat de informatie niet is verkregen volgens de regels die zijn neergelegd in een door het college genoemd convenant, maakt dat niet anders. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat op grond van de processen-verbaal voldoende aannemelijk is dat appellant zich in de maanden mei 2007, augustus 2010 en december 2011 heeft bezig gehouden met de handel in (nep)verdovende middelen. Anders dan appellant stelt, wordt hem geen structurele handel verweten, maar handel in (nep)verdovende in de maanden waarin hij is aangehouden. Door geen melding te maken van deze handelsactiviteiten heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3065 WWB, 13/3083 WWB

Datum uitspraak: 23 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

26 april 2013, 12/6239 en 12/6305 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant en namens appellante heeft mr. J.C. Walker, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2014. Namens appellanten is verschenen mr. Walker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R. Lo Fo Sang.

Het onderzoek is ter zitting geschorst. Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving in de periode van 10 oktober 2005 tot 16 juli 2007 en in de periode van 30 juli 2007 tot 2 januari 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellanten ontvingen in de periode van 2 januari 2008 tot

13 februari 2012 bijstand naar de norm voor gehuwden, omdat zij in deze periode een gezamenlijke huishouding voerden.

1.2.

Naar aanleiding van een melding van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland (politie) dat appellant meerdere malen werd aangehouden op verdenking van de verkoop van op verdovende middelen gelijkende stof, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Bij dat onderzoek is onder meer gebruik gemaakt van door de politie verstrekte processen-verbaal van aanhouding van appellant wegens overtreding van het verbod om zich op of aan de weg op te houden om verdovende middelen te kopen of te koop aan te bieden op 6 mei 2007, 16 mei 2007,

1 augustus 2010 en 10 december 2011. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 15 mei 2012.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

30 juli 2012 de bijstand van appellant over de maanden mei 2007, augustus 2010 en december 2011 in te trekken en de over deze maanden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 4.031,54 van appellant terug te vorderen. Bij afzonderlijk besluit van 30 juli 2012 heeft het college appellante hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugvordering van de ten onrechte aan appellant verleende bijstand in de periode dat zij een gezamenlijke huishouding voerden en van appellante een bedrag van € 2.947,53 mede teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 5 november 2012, herzien bij besluit van 13 november 2012 (bestreden besluit 1), heeft het college het bezwaar van appellant tegen het aan hem gerichte besluit van 30 juli 2012 ongegrond verklaard. Bij besluit van 15 november 2012 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het aan haar gerichte besluit van

30 juli 2012 ongegrond verklaard. Aan deze besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat uit de processen-verbaal blijkt dat appellant zich in de betreffende maanden bezig heeft gehouden met handel in drugs. Appellant heeft het college niet op de hoogte gesteld van de mogelijke inkomsten uit deze handel. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand over de maanden mei 2007, augustus 2010 en december 2011 niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaard, de bestreden besluiten 1 en 2 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het aannemelijk is dat appellant zich in de maanden mei 2007, augustus 2010 en december 2011 bezig heeft gehouden met de handel in (nep)verdovende middelen. Door geen melding te maken van deze activiteiten heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand in de betreffende maanden niet is vast te stellen. Het college was bevoegd tot (mede)terugvordering. De bestreden besluiten 1 en 2 zijn onvoldoende gemotiveerd, nu daarin niet is ingegaan op de bezwaargrond dat appellant geen extra inkomsten heeft genoten als gevolg van de aanhoudingen. Nu het college in het verweerschrift alsnog op deze bezwaargrond is ingegaan, heeft de rechtbank aanleiding gezien om de rechtsgevolgen in stand te laten.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten. Appellanten hebben aangevoerd dat de processen-verbaal van de politie niet zijn ondertekend, zodat de rechtbank deze

processen-verbaal ten onrechte als op ambtseed opgemaakte processen-verbaal heeft aangemerkt. Bovendien is sprake van onrechtmatig verkregen bewijs, omdat het college niet heeft aangetoond dat de informatie is verkregen volgens de regels die zijn neergelegd in een door het college genoemd convenant. De politie heeft in strijd met artikel 64 van de WWB de processen-verbaal verstrekt, nu appellant geen persoon is wiens vrijheid rechtens is ontnomen. Met deze processen-verbaal is daardoor onvoldoende aangetoond dat appellanten hun inlichtingenverplichting hebben geschonden en dat sprake is van oncontroleerbare inkomsten. Appellanten hebben voorts betwist dat appellant op 6 mei 2007, 16 mei 2007, 1 augustus 2010 en 10 december 2011 in drugs heeft gehandeld. Verder was sprake van één incident in 2010 en één incident in 2011, zodat niet gesproken kan worden van structurele handel in drugs. Ook als de inlichtingenverplichting zou zijn geschonden, kan het recht op bijstand worden vastgesteld. Doordat appellant is aangehouden is in geen van de vier gevallen een transactie tot stand gekomen en heeft appellant geen inkomsten ontvangen. Dat blijkt ook uit de processen-verbaal van de politie. Er was dan ook geen noodzaak voor het bijhouden van een boekhouding of administratie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.2.

Het college heeft de intrekking van de bijstand gebaseerd op de processen-verbaal van de politie. Op verzoek van de Raad heeft het college alsnog ondertekende exemplaren overgelegd van de processen-verbaal van 1 augustus 2010 en 10 december 2011. Dat het laatstgenoemde proces-verbaal een week na het verstrijken van de daartoe door de Raad gegeven termijn is overgelegd, geeft geen aanleiding om dit stuk buiten beschouwing te laten. Het college heeft tevens meegedeeld dat van de processen-verbaal van 6 mei 2007 en

16 mei 2007 geen originelen meer beschikbaar zijn, omdat gegevens van gesanctioneerde overtredingen na vijf jaar worden vernietigd. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie ten behoeve van rechtspleging blijkt wel dat voor de overtredingen op 6 mei 2007 en 16 mei 2007 een buitengerechtelijke afdoening heeft plaatsgevonden en dat appellant voor beide overtredingen een geldboete van € 130,- heeft voldaan. Uit het uittreksel blijkt verder dat de boetes beide zien op overtreding van artikel 2.2, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 1994 van de gemeente Amsterdam, waarin het verbod is neergelegd om zich op of aan de weg op te houden om verdovende middelen te kopen of te koop aan te bieden. Het is dan ook aannemelijk dat appellant voor de in de processen-verbaal van 6 mei 2007 en

16 mei 2007 vermelde overtredingen is veroordeeld. Anders dan appellant stelt, heeft het college met de uittrekselgegevens geen nieuwe feiten aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd, maar daarmee slechts de betrouwbaarheid van de processen-verbaal - bij gebreke van ondertekende originelen - aannemelijk gemaakt.

4.3.

Uit artikel 64, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB volgt dat het college bevoegd is inlichtingen in te winnen bij de korpschef. Mede gelet op deze bepaling heeft het college de processen-verbaal terecht in beschouwing genomen. De enkele niet onderbouwde stelling dat de informatie niet is verkregen volgens de regels die zijn neergelegd in een door het college genoemd convenant, maakt dat niet anders.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat geen reden bestaat om de processen-verbaal buiten beschouwing te laten. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat op grond van de processen-verbaal voldoende aannemelijk is dat appellant zich in de maanden mei 2007, augustus 2010 en december 2011 heeft bezig gehouden met de handel in (nep)verdovende middelen. Anders dan appellant stelt, wordt hem geen structurele handel verweten, maar handel in (nep)verdovende in de maanden waarin hij is aangehouden. Door geen melding te maken van deze handelsactiviteiten heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden. Appellant heeft geen inzicht verschaft in de omvang van zijn activiteiten en de daaruit genoten inkomsten. Dat, zoals appellant heeft gesteld, door de aanhoudingen geen transacties tot stand zijn gekomen, sluit niet uit dat appellant buiten de momenten waarop hij is aangehouden in de maanden mei 2007, augustus 2010 en december 2011 in (nep)verdovende middelen heeft gehandeld en daaruit inkomsten heeft kunnen verkrijgen. Het recht op bijstand in de betreffende maanden is daardoor niet vast te stellen. Het college was daarom bevoegd om de bijstand over deze maanden in te trekken.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2014.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) P.C. de Wit

HD