Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4358

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
07-01-2015
Zaaknummer
CRvB 14-5880 WWB-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening. Geen sprake van een spoedeisend belang in financiële zin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/5880 WWB-VV

Datum uitspraak: 23 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] te [woonplaats] (verzoekers)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekers heeft mr. E. Yeniasci, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 23 september 2014, 14/1134 (aangevallen uitspraak).

Tevens heeft mr. Yeniasci namens verzoekers een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. Verzoekers hebben - hiertoe uitgenodigd door de Raad - bij brief van 8 december 2014 een toelichting gegeven met betrekking tot dit verzoek.

OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1.

Verzoekers ontvingen sinds 22 september 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Bij besluit van 9 oktober 2012 heeft het college, voor zover thans van belang, de bijstand van verzoekers ingetrokken met ingang van 1 maart 2011. Tevens heeft het college de over de periode van 22 september 2009 tot en met 28 februari 2011 verleende bijstand en de over de periode van 22 september 2009 tot en met 21 september 2010 verleende woonkostentoeslag ingetrokken. Bij hetzelfde besluit heeft het college de over deze perioden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 31.451,59 van verzoekers teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 19 september 2013 heeft het college het verzoek van verzoekers om een dwangsom wegens overschrijding van de wettelijke beslistermijn afgewezen.

1.4.

Bij besluit van 19 februari 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 oktober 2012 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college - samengevat en voor zover thans van belang - ten grondslag gelegd dat verzoekers geen melding hebben gemaakt van de kasstortingen op hun bankrekeningen als gevolg waarvan het recht op bijstand gedurende de periode van 22 september 2009 tot 1 maart 2011 en vanaf 1 maart 2011 niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, voor zover daarbij niet tevens is beslist op het bezwaar van verzoekers tegen het besluit van 19 september 2013, en bepaald dat het college aan verzoekers een dwangsom is verschuldigd van € 1.260,-. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de uitspraak in plaats van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit treedt en het bestreden besluit voor het overige in stand gelaten.

3. Bij besluit van 26 september 2014 heeft het college met toepassing van artikel 60a, vierde lid, van de WWB de aan verzoekers toegekende dwangsom ten bedrage van € 1.260,- verrekend met de onder 1.2 genoemde nog openstaande vordering van het college op verzoekers. Het door verzoekers bij brief van 21 oktober 2014 gemaakte bezwaar tegen het besluit van 26 september 2014 maakt op grond van artikel 4:125 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) deel uit van het geding in hoger beroep (geregistreerd onder nummer 14/5857 WWB).

4. Verzoekers hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Het verzoek strekt ertoe dat de aan verzoekers toegekende dwangsom aan hen betaalbaar wordt gesteld.

5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

5.2.

Verzoekers hebben bij brief van 8 december 2014 ter ondersteuning van het door hen gestelde spoedeisende belang aangevoerd dat zij over de periode van 1 maart 2011 tot

31 december 2012 geen bijstand hebben ontvangen. Zij zijn door de intrekking van de bijstand met ingang van 1 maart 2011 in de schulden geraakt. Zij betalen tot heden hierop af en hebben daarnaast achterstallige betalingen. Zij hebben de betaling van de dwangsom nodig in verband met hun schulden.

5.3.

De beantwoording van de vraag of sprake is van onverwijlde spoed spitst zich in het onderhavige geval toe op de vraag of vanuit financieel oogpunt sprake is van een spoedeisend belang.

5.4.

Wat verzoekers hebben aangevoerd, levert geen grond op voor het oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoekers hebben niet onderbouwd dat sprake is van een financiële noodsituatie noch, mocht hier al sprake van zijn, dat deze situatie wordt beëindigd of wezenlijk verminderd door het alsnog betaalbaar stellen van de aan verzoekers toegekende dwangsom.

5.5.

Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoekers zo zwaarwegend belang dat behandeling van de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Dat blijkt in ieder geval niet uit het verzoekschrift van verzoekers en op de toelichting die verzoekers, desgevraagd, bij brief van 8 december 2014 hebben verstrekt.

5.6.

Het verzoek is gelet op het hiervoor overwogene kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb buiten zitting uitspraak zal doen.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2014.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) O.P.L. Hovens

HD