Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4357

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
07-01-2015
Zaaknummer
CRvB 13-3229 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. In rechte onaantastbaar besluit. Niet is gebleken van dringende redenen op grond waarvan het college had moeten afzien van terugvordering van de ten onrechte aan appellant verleende bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3229 WWB

Datum uitspraak: 23 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
8 mei 2013, 12/6169 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Wal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Ahmed.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 1 augustus 2012 heeft het college de bijstand van appellant ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%, met ingang van 15 juni 2012 ingetrokken op de grond dat hij vanaf die datum een gezamenlijke huishouding voert. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.

1.2.

Bij besluit van 4 september 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 november 2012 (bestreden besluit), heeft het college de over de periode van 15 juni 2012 tot en met

31 juli 2012 gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van

€ 1.363,01.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot terugvordering, waarbij de rechtbank, voor zover van belang, in aanmerking heeft genomen dat het college appellant met ingang van

2 augustus 2012 opnieuw bijstand heeft verleend en dat bij de terugvordering rekening is gehouden met de beslagvrije voet.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de hier van belang zijnde

wet- en regelgeving verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1.

Vaststaat dat appellant tegen het besluit van 1 augustus 2012 geen rechtsmiddel heeft aangewend, zodat de intrekking van de bijstand met ingang van 15 juni 2012 in rechte onaantastbaar is geworden. Dit betekent dat aan de voorwaarden voor toepassing van

artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het college bevoegd was tot terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand.

4.2.

Het betoog van appellant dat het college het bedrag van € 1.363,01 in redelijkheid niet van hem kan terugvorderen vanwege zijn financiële positie en dat het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen en onvoldoende is gemotiveerd, komt grotendeels overeen met wat in beroep bij de rechtbank is aangevoerd. Met wat de rechtbank daaromtrent heeft overwogen kan de Raad zich geheel verenigen.

4.3.

Niet is gebleken van dringende redenen op grond waarvan het college had moeten afzien van terugvordering van de ten onrechte aan appellant verleende bijstand. Dringende redenen zijn slechts gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. In wat appellant heeft aangevoerd, zijn geen dringende redenen gelegen als hiervoor bedoeld. Bovendien heeft appellant ter zitting verklaard dat hij het teruggevorderde bedrag al heeft terugbetaald aan het college. Dat appellant, naar hij stelt, ondanks de bescherming van de beslagvrije voet, in financiële nood zal raken, is niet aannemelijk gemaakt.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2014.

(getekend) M. Hillen

(getekend) C.M. Fleuren

HD