Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4353

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
07-01-2015
Zaaknummer
CRvB 13-3206 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een bijstandsuitkering toe te kennen. Niet is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. Het college heeft ten onrechte aangenomen dat ten tijde in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid, van de WWB. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Appellant heeft onvoldoende informatie verstrekt die betrekking heeft op zijn - eigen - financiële situatie. Hierdoor kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het oordeel van de rechtbank dat de aanvraag terecht is afgewezen, kan daarom in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3206 WWB

Datum uitspraak: 23 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 4 juni 2013, 13/2387 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Weesp (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Velthorst, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Velthorst. Het college is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 20 december 2012 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend naar de norm voor een alleenstaande. Bij de aanvraag heeft appellant opgegeven te wonen in de[adres] (opgegeven adres) en dat hij samen met [naam], medebewoner, een huurovereenkomst heeft getekend als garantie voor de betaling van de huur. Op 28 december 2012 hebben rapporteurs van de Afdeling Sociale Zaken een onaangekondigd huisbezoek afgelegd op het opgegeven adres. Bij brief van 31 december 2012 heeft het college appellant en [naam] verzocht voor

13 januari 2013 nog ontbrekende gegevens te verstrekken.

1.2.

Bij besluit van 30 januari 2013 heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat hij met [naam] een gezamenlijke huishouding voert en dat het college bij gebreke van gegevens met betrekking tot zowel [naam] als appellant niet kan beoordelen of zij beiden behoren tot de kring van rechthebbenden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB.

1.3.

Bij besluit van 9 april 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 30 januari 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep, met onder meer verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 26 juni 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BA8284), op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB, is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.2.

De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.3.

Niet in geschil is dat appellant en [naam] ten tijde in geding hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.4.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.5.

Hoewel het gezamenlijk aangaan van een huurovereenkomst, de omstandigheid dat de woning, een tweekamerflat, zich niet leent voor zakelijke onderverhuur en appellant [naam] heeft geholpen om de woning te verkrijgen, aanknopingspunten vormen voor het oordeel dat sprake is van wederzijdse zorg, bieden de gedingstukken onvoldoende feitelijke grondslag voor het bestaan van wederzijdse zorg van een voldoende omvang of frequentie. Daartoe is van belang dat niet is gebleken van enige financiële verstrengeling tussen appellant en [naam] die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten. Evenmin is van enige andere concrete wederzijdse zorg gebleken. Zo heeft appellant op 28 december 2012 verklaard dat zijn koelkast in de kelder staat met daarin zijn etenswaren en dat hij daar ook zijn borden en bestek bewaart. Tijdens het huisbezoek heeft [naam] verklaard dat de spullen in de keuken alleen van haar zijn en dat appellant op de bank in de woonkamer slaapt. Tevens is tijdens dat huisbezoek vastgesteld dat in de badkamer twee wasmanden stonden. [naam] heeft daarover verklaard dat één wasmand van haar is en de ander van appellant, alsook dat appellant zijn eigen was doet. Het college heeft naar deze concrete feiten en omstandigheden ten onrechte geen nader onderzoek verricht.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat niet voldaan is aan het criterium van wederzijdse zorg en dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat ten tijde in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid, van de WWB. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.7.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag.

4.8.

Bij brief van 31 december 2012 heeft het college naar aanleiding van de door appellant ingediende aanvraag, naast gegevens van [naam], nadere gegevens gevraagd van appellant, waaronder de bankrekening waarop de kinderbijslag wordt gestort, alle bankrekeningen, ook de spaarrekening, van zijn kind, een kopie van zijn inkomen over de maand november 2012, het adres waar zijn inboedel is opgeslagen en een lijst met adressen waar hij vanaf 2010 heeft verbleven. Vast staat dat appellant die gegevens niet heeft verstrekt. Bij brief van 5 januari 2013 heeft appellant volstaan met de mededeling dat, voor zover van belang, [naam] weigert haar gegevens te verstrekken. Het college heeft [naam] ten onrechte gevraagd gegevens te verstrekken in het kader van de door appellant ingediende aanvraag om bijstand. De gegevens die het college van appellant heeft gevraagd zijn gegevens die betrekking hebben op de financiële situatie van appellant. Dergelijke gegevens zijn van belang voor de beoordeling van het recht op bijstand. Nu appellant onvoldoende informatie heeft verstrekt die betrekking heeft op zijn - eigen - financiële situatie, kan het college het recht op bijstand ten tijde in geding niet vast stellen. Het oordeel van de rechtbank dat de aanvraag terecht is afgewezen, kan daarom in stand blijven.

4.9.

Uit 4.7 en 4.8 volgt dat de beroepsgronden terecht zijn voorgedragen, maar niet kunnen leiden tot het daarmee beoogde resultaat. De aangevallen uitspraak moet met verbetering van gronden worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2014.

(getekend) M. Hillen

(getekend) C.M. Fleuren

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet.

HD