Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4352

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
07-01-2015
Zaaknummer
CRvB 13-6130 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand. Niet woonachtig in de gemeente. Niet is gebleken dat appellante haar verklaring onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. Appellante is medisch onderzocht in verband met haar zwangerschap, waaruit bleek dat alles in orde was. Bovendien heeft appellante bij aanvang van het verhoor te kennen gegeven in staat te zijn een verklaring af te leggen. Het college heeft in dit verband aangevoerd dat appellante gedurende het verhoor ervan op de hoogte was dat direct na de aanhouding voor de achtergebleven honden werd gezorgd en dat een slotenmaker en een glaszetter waren ingezet om het chalet af te dichten, wat door appellante niet is weersproken. Evenmin is gebleken dat appellante niet heeft begrepen wat zij verklaarde dan wel heeft bedoeld iets anders te verklaren dan zij heeft gedaan of dat de verklaringen tot stand zijn gekomen doordat appellante, zoals zij heeft aangevoerd, woorden in de mond zijn gelegd. Met betrekking tot de intrekking van de bijstand over de periode van 4 augustus 2009 tot en met 31 december 2009 en vanaf 1 januari 2011, is het besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust niet op een deugdelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6130 WWB

Datum uitspraak: 23 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 oktober 2013, 13/674 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats 1] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Veendam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.S. Scheffers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 4 november 2014 heeft mr. Scheffers een nader stuk ingezonden en aangekondigd drie getuigen te zullen meenemen naar de zitting.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Scheffers. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door B.P. Brouwer.

Ter zitting zijn de volgende door appellante aangekondigde en meegebrachte getuigen gehoord: [getuige 1], vader van appellante, wonende te [woonplaats 2], [getuige 2], moeder van appellante, wonende te [woonplaats 3], en [getuige 3], broer van appellante, wonende te [woonplaats 4].

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 4 augustus 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) en vanaf 1 juli 2010 een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ) naar de norm voor een alleenstaande. Appellante staat sinds 26 maart 2009 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente [woonplaats 1] ingeschreven op het adres [adres] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding bij de SZW-samenwerkingsdienst

Veendam-Pekela-Bellingwedde dat appellante niet woont op het uitkeringsadres, maar langere tijd verblijft op een vakantiepark in [plaats], heeft de sociale recherche Noord- en

Oost-Groningen (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, is aan diverse instanties om inlichtingen verzocht, zijn in de periodes van 25 juli 2011 tot en met

5 augustus 2011 en van 18 oktober 2011 tot en met 7 november 2011 waarnemingen verricht in de omgeving van het uitkeringsadres en van het recreatiepark [naam] (recreatiepark), zijn getuigen gehoord en is appellante verhoord. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van de sociale recherche van 12 januari 2012.

1.3.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 2 februari 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 mei 2013 (bestreden besluit), met ingang van

4 augustus 2009 de bijstand en de later toegekende inkomensvoorziening ingetrokken. Daarbij heeft het college tevens de gemaakte kosten van bijstand en inkomensvoorziening over de periode van 4 augustus 2009 tot en met 5 december 2011 en een aan appellante op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 verstrekt bedrag aan onderzoekskosten van appellante teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 32.829,69. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante sinds 4 augustus 2009 niet in de gemeente [woonplaats 1] woont, maar sindsdien haar hoofdverblijf heeft gehad op het recreatiepark, en daarom jegens het college geen recht heeft op bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het betreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft zij, samengevat, aangevoerd dat het onderzoek onvolledig is geweest doordat geen huisbezoeken zijn gedaan, dat uit de waarnemingen weliswaar blijkt waar haar auto was maar niet waar zij zelf op dat moment verbleef, dat zij als gevolg van de ruwe aanhouding op 6 december 2011 tijdens de hierop aansluitende verhoren in verwarde toestand verkeerde en dat de processen-verbaal van de verhoren geen juiste weergave zijn van wat zij heeft verklaard. Dit wordt volgens appellante bevestigd door de verklaringen van respectievelijk haar vader, haar moeder en haar broer die appellante tijdens de bezwaarfase heeft overgelegd, terwijl aan de juistheid van de door het college in de bezwaarfase ingebrachte getuigenverklaringen van de voorzitter en secretaris van het bestuur van het recreatiepark moet worden getwijfeld, aangezien haar vader in een langlopend conflict is verwikkeld met het bestuur van het recreatiepark.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 4 augustus 2009 tot en met 2 februari 2012.

4.2.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, eerste volzin, van de WWB bestaat het recht op bijstand jegens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens artikel 1:10, eerste lid, van het BW bevindt de woonplaats van een natuurlijk persoon zich te zijner woonstede, en bij gebreke van een woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. In artikel 1:11, eerste lid, van het BW is bepaald dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Dit sluit naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 19 juni 2007,

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8305) niet uit dat een woonstede ook op grond van andere feiten en omstandigheden geacht kan worden te zijn verplaatst. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.3.

De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellante gedurende het gehele jaar 2010 haar woonplaats heeft gehad buiten de gemeente [woonplaats 1]. Daarbij kent de Raad doorslaggevende betekenis toe aan de door appellante op 6 december 2011 tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring, zoals opgenomen in de op ambtsbelofte/ambtseed opgemaakte processen-verbaal van verhoor. Tijdens deze verhoren heeft appellante verklaard dat zij in 2010 met haar ouders het hele jaar in het chalet op het recreatiepark heeft verbleven en dat zij bijna nooit in [woonplaats 1] was. Deze verklaring van appellante vindt steun in de verklaring van haar vader die hij tijdens de hoorzitting op 27 augustus 2012 heeft afgelegd en die is opgenomen in het verslag van de hoorzitting. Op de vraag of het klopt dat appellante in 2010 het hele jaar in het chalet op het recreatiepark heeft gezeten, heeft de vader van appellante toen geantwoord dat zijn woning in [woonplaats 1] op dat moment werd verbouwd en dat hij, zijn vrouw en appellante in 2010 het gehele jaar in het chalet hebben gewoond. Deze verklaring vindt bovendien steun in de verklaring van de voorzitter van het bestuur van het recreatiepark dat hij appellante dagelijks op het recreatiepark heeft gezien.

4.4.

Appellante heeft in hoger beroep opnieuw aangevoerd dat zij als gevolg van de ruwe aanhouding op 6 december 2011 tijdens de hierop aansluitende verhoren in verwarde toestand verkeerde en dat de processen-verbaal van de verhoren geen juiste weergave zijn van wat zij heeft verklaard, zodat zij niet aan haar verklaringen kan worden gehouden.

4.5.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van

26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde verklaring worden gehouden. Uit deze rechtspraak volgt ook dat kan worden uitgegaan van de juistheid van de weergave in de op ambtsbelofte en/of ambtseed opgemaakte processen-verbaal van deze verklaringen. Niet is gebleken dat appellante haar verklaring onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. Appellante is medisch onderzocht in verband met haar zwangerschap, waaruit bleek dat alles in orde was. Bovendien heeft appellante bij aanvang van het verhoor te kennen gegeven in staat te zijn een verklaring af te leggen. Het college heeft in dit verband aangevoerd dat appellante gedurende het verhoor ervan op de hoogte was dat direct na de aanhouding voor de achtergebleven honden werd gezorgd en dat een slotenmaker en een glaszetter waren ingezet om het chalet af te dichten, wat door appellante niet is weersproken. Evenmin is gebleken dat appellante niet heeft begrepen wat zij verklaarde dan wel heeft bedoeld iets anders te verklaren dan zij heeft gedaan of dat de verklaringen tot stand zijn gekomen doordat appellante, zoals zij heeft aangevoerd, woorden in de mond zijn gelegd.

4.6.

Ook de verklaringen die ter zitting zijn afgelegd door de vader, de moeder en de broer van appellante maken het voorgaande niet anders. De vader heeft ter zitting van de Raad ontkend dat hij tijdens de hoorzitting heeft verklaard dat hij, zijn vrouw en appellante in 2010 het gehele jaar in het chalet hebben gewoond. Er zijn echter geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de in het verslag van de hoorzitting van 27 augustus 2012 opgenomen verklaring van de vader geen juiste weergave vormt van wat hij tijdens de hoorzitting heeft verklaard. Bovendien komt zijn verklaring over het verblijf in het chalet in 2010 overeen met de verklaring van appellante daarover.

4.7.

De bevindingen van het onderzoek bieden geen toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellante in de periode van 4 augustus 2009 tot 1 januari 2010 en in de periode vanaf 1 januari 2011 haar woonplaats heeft gehad buiten de gemeente [woonplaats 1]. Het college heeft de intrekking over deze periodes eveneens gebaseerd op de verklaringen van appellante die zij op 6 december 2011 tegenover de sociale recherche heeft afgelegd, alsmede op de waarnemingen en observaties die zijn gedaan in de periode van 25 juli 2011 tot en met 5 augustus 2011 en van 18 oktober 2011 tot en met 7 november 2011. De verklaringen van appellante over deze periodes zijn weinig concreet en bovendien wisselend wat betreft de frequentie van haar verblijf op het recreatiepark. De sociaal rechercheurs hebben over dat verblijf niet doorgevraagd, met als gevolg dat op basis van de verklaringen van appellante niet kan worden geconcludeerd dat zij in de hiervoor genoemde periodes haar hoofdverblijf op het recreatiepark heeft gehad. De bevindingen tijdens de waarnemingen zijn evenmin toereikend voor die conclusie. Dat de auto van appellante in de waarnemingsperiodes vaak is waargenomen bij het chalet op het recreatiepark en dat appellante daarbij ook wel eens is gezien, bevestigt slechts wat appellante zelf heeft verklaard, namelijk dat ze vaak op het recreatiepark aanwezig was. De getuigenverklaringen van de voorzitter en secretaris van het bestuur van het recreatiepark zijn op zichzelf onvoldoende specifiek en concreet om op basis daarvan te kunnen concluderen dat appellante ook vóór en na 2010 haar hoofdverblijf niet in [woonplaats 1] had, maar op het recreatiepark.

4.8.

Uit 4.7 volgt dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 4 augustus 2009 tot en met 31 december 2009 en vanaf 1 januari 2011, niet zorgvuldig is voorbereid en niet op een deugdelijke grondslag berust. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend, dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de intrekking van de bijstand over de twee hiervoor genoemde periodes, vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat het besluit tot terugvordering als ondeelbaar moet worden beschouwd, zal de Raad het bestreden besluit ook vernietigen voor zover het de terugvordering betreft. Tevens ziet de Raad aanleiding het besluit van 2 februari 2012 te herroepen voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 4 augustus 2009 tot en met 31 december 2009 en vanaf 1 januari 2011, aangezien aan dit besluit in zoverre hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit en niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld. De Raad heeft onvoldoende financiële gegevens om voor de terugvordering zelf in de zaak te voorzien. Nu het nog slechts gaat om een financiële uitwerking ziet de Raad af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot

- volledige - definitieve geschilbeslechting. De Raad zal het college op dit punt een opdracht geven om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 974,- in bezwaar, op € 974,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 2.922,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 mei 2013 gegrond en vernietigt het besluit van

17 mei 2013, voor zover dit betrekking heeft op de intrekking over de periode van

4 augustus 2009 tot 1 januari 2010 en over de periode vanaf 1 januari 2011 en op de

terugvordering;

- herroept het besluit van 2 februari 2012 voor zover het betreft de intrekking over de periode

van 4 augustus 2009 tot 1 januari 2010 en over de periode vanaf 1 januari 2011 en bepaalt

dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit

van 17 mei 2013;

- draagt het college op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het

bezwaar tegen het besluit van 2 februari 2012, voor zover dit betrekking heeft op de

terugvordering;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.922,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 162,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en W.F. Claessens en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD