Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4350

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
05-01-2015
Zaaknummer
CRvB 13-6134 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzig bijstandsaanvraag. Onder de vermelde omstandigheden kan appellant in redelijkheid niet worden tegengeworpen dat hij er, wellicht wat emotioneel, blijk van heeft gegeven op dat moment niet te kunnen instemmen met een onmiddellijk af te leggen huisbezoek aangezien dit het eerder geplande sollicitatiegesprek, en daarmee de mogelijkheid van het verkrijgen van een baan, zou doorkruisen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2015/5
USZ 2015/67 met annotatie van H.W.M. Nacinovic
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6134 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

4 oktober 2013, 13/2207 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Zahi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2014. Voor appellant is, met bericht, niemand verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S. Sewtahal.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde gegevens.

1.1.

Appellant heeft zich op 8 oktober 2012 bij het UWV Werkbedrijf gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Na een zogenoemde werkintake op 31 oktober 2012 is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 21 november 2012 bij gelegenheid waarvan appellant ook een aanvraagformulier heeft ingevuld. Bij brief van 30 november 2012 heeft de klantmanager werk en inkomen aan appellant verzocht aanvullende gegevens te verstrekken en is appellant opgeroepen voor een gesprek op

11 december 2012. Dat gesprek heeft plaatsgevonden van 9.15 uur tot 10.20 uur op het Werkplein van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Haarlemmermeer met de handhavingsspecialisten [naam 1] en [naam 2]. Uit het door appellant en [naam 1] ondertekende gespreksverslag blijkt dat tijdens dit gesprek de woon- en verblijfsituatie van appellant is doorgesproken. Omdat de eerder gerezen twijfel over het feitelijke woonadres van appellant tijdens dit gesprek niet was weggenomen, is na afloop daarvan door de handhavingsmedewerkers aan appellant kenbaar gemaakt dat zij direct aansluitend aan het gesprek een huisbezoek wilden afleggen op het door hem opgegeven adres [adres]. Dit is het adres van zijn ouders. Appellant heeft hier niet mee ingestemd en heeft daarop de spreekkamer verlaten. Bij besluit van 21 december 2012 heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat hij heeft geweigerd medewerking te verlenen aan een huisbezoek.

1.2.

Bij besluit van 18 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 21 december 2012 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een gewichtige reden om af te zien van het voorgenomen huisbezoek op 11 december 2012. Door zijn weigering medewerking te verlenen aan het huisbezoek en het voortijdig verlaten van de spreekkamer heeft appellant de inlichtingen- en medewerkingsverplichting geschonden, zodat het recht op bijstand niet is vast te stellen.

1.3.

Appellant heeft op 10 januari 2013 een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Na een huisbezoek op het in 1.1 aangeduide adres is hem met ingang van 10 januari 2013 bijstand toegekend naar het voor hem geldende normbedrag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat een redelijke grond aanwezig was voor het afleggen van een huisbezoek aan het door appellant opgegeven woonadres, omdat de gerezen twijfel rond de woonsituatie van appellant tijdens het gesprek op

11 december 2012 niet is weggenomen en niet een ander effectief en voor appellant minder belastend onderzoeksmiddel voorhanden was ter verifiëring van de gestelde woon- en leefsituatie. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het niet mee (kunnen) werken aan het voorgenomen huisbezoek, onmiddellijk in aansluiting op het gesprek van 11 december 2012, voor risico en rekening van appellant moet worden gelaten. Daarbij heeft de rechtbank in het midden gelaten wat appellant daarvoor precies als reden van verhindering heeft opgegeven omdat appellant heeft erkend boos en voortijdig de spreekkamer te hebben verlaten.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde in geding een redelijke grond aanwezig was voor het afleggen van een huisbezoek aan het door appellant opgegeven woonadres.

4.2.

Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of er een zwaarwegende reden was voor appellant om geen medewerking te verlenen aan het afleggen van een huisbezoek op

11 december 2012, onmiddellijk in aansluiting op het gesprek met de in 1.1 genoemde handhavingsspecialisten.

4.3.

Naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 11 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007: BA2445) komt in het algemeen groot gewicht toe aan het belang van een bijstandverlenend orgaan om - zo nodig - onmiddellijk een huisbezoek af te leggen teneinde een door betrokkene opgegeven woonsituatie te verifiëren. De reden daarvan is dat anders de mogelijkheid bestaat dat in die woonsituatie tussentijds wijziging wordt aangebracht, waardoor dit controlemiddel sterk aan effectiviteit inboet. Pas als betrokkene daar een voldoende zwaarwegend belang tegenover stelt, en bij betwisting aannemelijk maakt, dient dit belang van het bijstandverlenend orgaan daarvoor te wijken. Als in een dergelijke situatie niet van het onverwijld afleggen van een huisbezoek wordt afgezien, kan de weigering om daaraan medewerking te verlenen in redelijkheid niet aan betrokkene worden tegengeworpen.

4.4.

Appellant heeft benadrukt dat hij geen medewerking kon verlenen aan een onmiddellijk af te leggen huisbezoek omdat hij op dezelfde dag om 11.00 uur een belangrijk sollicitatiegesprek had bij Werkstroom en dat ook kenbaar heeft gemaakt. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant tijdens het gesprek met de handhavingsspecialisten enkel als reden voor zijn weigering heeft opgegeven dat zonder uitdrukkelijke toestemming van zijn ouders geen huisbezoek kon plaatsvinden.

4.5.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet in het midden kon worden gelaten welke reden precies door appellant is opgegeven als beletsel voor een onverwijld af te leggen huisbezoek. Naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 3 juni 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD3521) ligt het in beginsel in de risicosfeer van een betrokkene als een noodzakelijk geacht huisbezoek op het door hem opgegeven woonadres, bijvoorbeeld door ontbrekende toestemming van de hoofdbewoner of bij het niet voorhanden hebben van een huissleutel, niet terstond mogelijk is. De door appellant gestelde reden dat hij op dezelfde ochtend vrijwel aansluitend aan het gesprek om 11.00 uur een - ook door de rechtbank aannemelijk geacht - sollicitatiegesprek had bij Werkstroom, kan daarmee echter niet op één lijn worden gesteld.

4.6.

Voor zover het college heeft willen betogen dat appellant het sollicitatiegesprek niet heeft genoemd als reden waarom niet aansluitend een huisbezoek zou kunnen worden afgelegd, kan het daarin niet worden gevolgd. Allereerst moet worden opgemerkt dat het opgemaakte verslag van het gesprek van 11 december 2012 kennelijk geen juiste of volledige weergave vormt van wat toen is besproken. In de beslissing op bezwaar is immers aangegeven dat door appellant tijdens het bewuste gesprek het sollicitatiegesprek wel ter sprake is gebracht, terwijl daarvan uit het gespreksverslag niet blijkt. Uit datzelfde verslag blijkt overigens evenmin dat appellant erop is gewezen welke verstrekkende consequenties het niet meewerken aan het huisbezoek voor appellant zouden hebben. Overigens heeft Werkstroom op dezelfde middag per email aan een van de handhavingsmedewerkers bevestigd dat appellant om 11.00 uur een (belangrijk) gesprek heeft gehad met een potentiële werkgever, is er begrip gevraagd voor de lastige positie van appellant en is erop aangedrongen het huisbezoek op een ander moment uit te voeren.

4.7.

Onder de in 4.6 vermelde omstandigheden kan appellant in redelijkheid niet worden tegengeworpen dat hij er, wellicht wat emotioneel, blijk van heeft gegeven op dat moment niet te kunnen instemmen met een onmiddellijk af te leggen huisbezoek aangezien dit het eerder geplande sollicitatiegesprek, en daarmee de mogelijkheid van het verkrijgen van een baan, zou doorkruisen.

4.8.

Gelet op wat in 4.3 tot en met 4.7 is overwogen had het college niet zonder meer de conclusie mogen trekken dat als gevolg van schending van de inlichtingen- en medewerkingsverplichting door appellant het recht op bijstand niet was vast te stellen. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. Niet valt aan te nemen dat dit gebrek, mede gezien het tijdsverloop, nog kan worden hersteld. Daarom zal de Raad met het oog op een definitieve beslechting van dit geschil zelf in de zaak voorzien door het besluit van 21 december 2012 te herroepen en te bepalen dat appellant met ingang van 8 oktober 2012 bijstand toekomt naar de voor hem toepasselijke bijstandsnorm met gemeentelijke toeslag. Daarbij is in aanmerking genomen dat niet is gesteld of gebleken dat appellant destijds ook overigens niet aan de voorwaarden voor bijstandsverlening heeft voldaan en dat hem in januari 2013, na een huisbezoek op hetzelfde adres, algemene bijstand is toegekend.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 487,- in beroep en op € 487,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 maart 2013 gegrond en vernietigt dat besluit;

- herroept het besluit van 21 december 2012, bepaalt dat appellant met ingang van 8 oktober

2012 bijstand toekomt naar de voor hem geldende bijstandsnorm en bepaalt dat deze

uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 18 maart 2013;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 974,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 162,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en W.C. Claessens en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD