Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4333

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2014
Datum publicatie
08-01-2015
Zaaknummer
12/2135 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter uitvoering van de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2014:2685) heeft het Uwv bij brief het bestreden besluit nader onderbouwd. Het Uwv heeft functies bijgeduid en het arbeidsongeschiktheidspercentage gewijzigd. De bijgeduide functies zijn terecht aan de schatting ten grondslag gelegd. Nu het Uwv vervolgens echter ten onrechte het bezwaar ongegrond heeft verklaard onder handhaving van het besluit van 30 september 2010 en weigering de kosten in bezwaar te vergoeden, kunnen de rechtsgevolgen op dit punt niet in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2135 WIA

Datum uitspraak: 19 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

1 maart 2012, 11/1354 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 10 juli 2014 een tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2014:2685) gedaan.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv bij brief van 15 augustus 2014 het bestreden besluit nader onderbouwd, met als bijlage een rapport gedateerd 23 juli 2014.

De gemachtigde van appellant, mr. J.S. Vlieger, advocaat, heeft hierop zijn zienswijze ingediend.

Hierna hebben partijen over en weer nog nadere stukken ingediend.

Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak.

1.2.

In de tussenuitspraak heeft de Raad overwogen dat het besluit van 14 april 2011 (bestreden besluit) op een gebrekkige arbeidskundige grondslag berust voor zover de theoretische schatting is gebaseerd op de functie van beveiliger in een museum (SBC-code 342021).

2.1.

Hierop heeft het Uwv de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit gewijzigd. Bij rapport van 23 juli 2014 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de functie van besteller post/pakketten (SBC-code 282102, functie route chauffeur) bijgeduid, nu de functie beveiliger van een museum is komen te vervallen, en de theoretische schatting gebaseerd op de functies van vleeswarenmaker, besteller post/pakketten en medewerker kleding en textielreiniging. Op basis van deze drie functiecodes is de mate van arbeidsongeschiktheid per 12 oktober 2010 vastgesteld op 63,42%. Nu bij het primaire besluit van 30 september 2010 was meegedeeld dat voor appellant met ingang van 12 oktober 2010 recht is ontstaan op een gedeeltelijke WGA-uitkering, heeft het Uwv het bestreden besluit, waarbij het primaire besluit in stand was gelaten, gehandhaafd.

2.2.

Appellant heeft hier tegen in gebracht dat de functie van route chauffeur (SBC-code 282102) niet geschikt is vanwege de hierin voorkomende belasting ten aanzien van frequent lichte voorwerpen hanteren. De functie van medewerker kleding en textielreiniging (SBC-code 111161) en de reservefunctie van melkgiftmonsternemer (SBC-code 111041) zijn volgens hem evenmin geschikt, gelet op de hierin voorkomende belasting op frequent reiken.

3.1.

De Raad komt tot het volgende oordeel.

3.2.

In de functie van route chauffeur komt een belasting op frequent lichte voorwerpen hanteren (item 4.15 van de FML) voor van vijftien maal per uur achtereen een werkbox tillen van ongeveer drie kg tijdens vier werkuren, hetgeen een dagelijkse belasting is tijdens meer dan twee werkuren. Volgens de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 september 2010 kan appellant tijdens elk uur van de werkdag ongeveer 300 keer voorwerpen van ruim één kg hanteren, waarbij hij op rechts beperkt is tot ongeveer 150 maal ongeveer één kg. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft bij rapport van 3 oktober 2014 en na overleg per mail met de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat appellant de box kan tillen met twee handen waarbij de linkerhand de meeste kracht kan leveren. Bovendien geldt de beperking tot één kg, volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep, slechts bij een frequentie van 150. Bij de veel lagere frequentie van 15 is tillen van 3 kg ook met rechts mogelijk. Hierbij is ook het preventieve karakter van de beperking, zoals vermeld in de FML, van belang. Deze motivering is overtuigend. De door appellant aangevoerde grond dat sprake is van een onaanvaardbare relativering van de beperking op 4.15 in de FML slaagt niet. De bij appellant gerezen twijfel aan de objectiviteit van de beoordeling door deze arbeidsdeskundige en verzekeringsarts, gelet op de mailwisseling tussen beiden, deelt de Raad niet. Het verzoek van appellant om onafhankelijk deskundigen te benoemen wordt afgewezen. Ook ten aanzien van de overige in deze functie voorkomende signaleringen is afdoende gemotiveerd dat de functie geschikt is voor appellant. De functie is dan ook terecht alsnog aan de schatting ten grondslag gelegd.

3.3.

De functie medewerker kleding en textielreiniging kent een belasting op frequent reiken (item 4.9 van de FML) van dagelijks maximaal 560 maal per uur: 60 maal 60 cm achtereen en 500 maal 50 cm achtereen, tijdens meer dan vier werkuren. In de FML is een beperking aangenomen tot ongeveer 450 keer per uur reiken, tijdens elk uur van de werkdag. Onder reiken (item 4.8 van de FML) wordt verstaan: met gestrekte arm 60 tot 70 cm reiken. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft bij rapport van 10 augustus 2011 afdoende toegelicht dat deze belasting de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is geconsulteerd en deze heeft aangegeven dat appellant tot 600 keer per uur kan reiken indien de reikafstand minder dan 60 cm bedraagt. Deze motivering is overtuigend. Ook de overige signaleringen in deze functie zijn afdoende gemotiveerd. De geschiktheid van de derde geduide functie van vleeswarenmaker voor appellant is eveneens afdoende toegelicht. Terecht zijn deze drie functies dan ook (alsnog) aan de schatting ten grondslag gelegd.

3.4.

Nu bij de tussenuitspraak is vastgesteld dat sprake is van een gebrekkige arbeidskundige grondslag dient het bestreden besluit te worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak.

3.5.

Vervolgens dient te worden bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Het Uwv heeft in het primaire besluit van 30 september 2010 vastgesteld dat recht is ontstaan op een WGA-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 47,2%. In hoger beroep is aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de mate van arbeidsongeschiktheid is bepaald op 63,42% en is tevens de resterende verdiencapaciteit gewijzigd in € 919,59 per maand. Zoals eerder overwogen bij uitspraak van de Raad van 29 oktober 2014 (ECLI:NL:2014:3495) is met een wijziging van het arbeidsongeschiktheidspercentage en de daarmee samenhangende wijziging in de resterende verdiencapaciteit, een wijziging in de rechtspositie van appellant aangebracht. Dit betekent dat er sprake is van herroepen als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hieruit volgt dat bij het bestreden besluit ten onrechte het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 september 2010 ongegrond is verklaard en ten onrechte is geweigerd de kosten in bezwaar te vergoeden.

3.6.

Gelet op overwegingen 3.4 en 3.5 is het door de Raad geconstateerde gebrek in arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit weliswaar in hoger beroep hersteld maar is er niettemin geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit volledig in stand te laten. Terecht heeft het Uwv bij het bestreden besluit vastgesteld dat voor appellant met ingang van 12 oktober 2010 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid 63,42% bedraagt en de resterende verdiencapaciteit is vastgesteld op € 919,59 per maand. Nu het Uwv vervolgens echter ten onrechte het bezwaar ongegrond heeft verklaard onder handhaving van het besluit van

30 september 2010 en weigering de kosten in bezwaar te vergoeden, kunnen de rechtsgevolgen op dit punt niet in stand blijven. Het besluit van 30 september 2010 dient te worden herroepen en het Uwv dient de door appellant in bewaar gemaakte kosten te vergoeden.

3.7.

Gelet op overwegingen 3.4 tot en met 3.6 is er aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb in samenhang met artikel 7:15 van de Awb te veroordelen in de door appellant ten behoeve van het bezwaar gemaakte kosten evenals de proceskosten in beroep en in hoger beroep. De kosten in bezwaar worden begroot op € 988,40 in verband met verleende rechtsbijstand en gemaakte reiskosten, in beroep op € 974,- in verband met verleende rechtsbijstand en in hoger beroep op € 1.231,90,- voor verleende rechtsbijstand en reiskosten. Het totaalbedrag aan proceskostenveroordeling komt hiermee op € 3.194,30.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 14 april 2011 voor zover daarbij het bezwaar ongegrond is verklaard en vergoeding van de kosten in bezwaar is afgewezen;

  • -

    herroept het besluit van 30 september 2010 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 14 april 2011;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal

€ 3.194,30;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2014.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) R.L. Rijnen

MK