Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4329

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2014
Datum publicatie
07-01-2015
Zaaknummer
14-5986 ZW-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening. Geen sprake van een spoedeisend belang in financieel opzicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5986 ZW-VV

Datum uitspraak: 19 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 2 juni 2014, 14/3581 en 4/4167 (aangevallen uitspraak).

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Verzoekster heeft een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 5 december 2014. Verzoekster is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. dr. J.H. Ermers.

OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de voor de beoordeling van het verzoek van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

2. Bij besluit van 20 mei 2014 heeft het Uwv na bezwaar het besluit van 23 april 2014 gehandhaafd waarbij is vastgesteld dat verzoekster met ingang van 28 april 2014 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), omdat zij weer geschikt wordt geacht voor haar werkzaamheden van kantoormanager bij een advocatenkantoor.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek van appellante om een voorlopige voorziening afgewezen.

4. In hoger beroep heeft verzoekster zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, omdat zij zich volledig arbeidsongeschikt acht. Zij heeft verzocht om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat het Uwv wordt veroordeeld tot hervatting van de betaling van de

ZW-uitkering. Verzoekster heeft daaraan ten grondslag gelegd dat zij op dit moment geen inkomsten heeft en niet in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering. Als gevolg daarvan is zij in een financiële noodsituatie geraakt.

5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

5.2.

De beantwoording van de vraag of sprake is van onverwijlde spoed spitst zich in dit geval toe op de vraag of sprake is van een spoedeisend belang in financieel opzicht.

5.3.

Ter onderbouwing van haar standpunt dat zij in een financiële noodsituatie is geraakt, heeft verzoekster desgevraagd een bankafschrift overgelegd met een negatief saldo van

€ 0,71, alsmede een dwangbevel, een tweetal brieven van de Nederlandse Energie Maatschappij en een brief van deurwaarderskantoor GGN waaruit blijkt dat verzoekster betalingsachterstanden heeft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster met het overleggen van deze gedingstukken niet heeft aangetoond dat zij in een financiële noodsituatie verkeert. Met een enkel bankafschrift met een negatief saldo van minder dan één euro heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat zij niet over financiële middelen beschikt. Ook de omstandigheid dat verzoekster betalingsachterstanden heeft, heeft de voorzieningenrechter niet tot de conclusie kunnen leiden dat er bij haar sprake is van een dergelijke situatie. Door niet ter zitting te verschijnen heeft verzoekster de gelegenheid voorbij laten gaan om toe te lichten welke omstandigheden in de weg staan aan het (opnieuw) ontvangen van een bijstandsuitkering. Voor het inwilligen van het onderhavige verzoek op grond van een spoedeisend belang in financieel opzicht ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

5.4.

Ook op andere wijze is niet gebleken van een voor verzoekster zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet door haar kan worden afgewacht. Het verzoek om een voorlopige voorziening dient dan ook te worden afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2014.

(getekend) M. Greebe

(getekend) K. de Jong

IvR