Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4326

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2014
Datum publicatie
08-01-2015
Zaaknummer
12-5392 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Svb heeft terecht de kinderbijslag over het derde en vierde kwartaal van 2011 niet aan appellant maar aan de ex-echtgenote van appellant uitbetaald. Bijzondere omstandigheden. Afwijking van de beleidsregel.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Algemene Kinderbijslagwet
Algemene Kinderbijslagwet 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/57
ABkort 2015/27
AB 2015/156

Uitspraak

12/5392 AKW

Datum uitspraak: 19 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

6 september 2012, 12/1938 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

[B.] te [woonplaats]

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W. Verhoef, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Namens [B.] heeft mr. H.D.W. Hoekstra-Krosenbrink een zienswijze ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Verhoef. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma. [B.] heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Hoekstra-Krosenbrink.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft kinderbijslag ontvangen voor zijn kinderen [S.], [M.], [O.] en [W.], die geboren zijn in de periode van 27 juni 1994 tot 20 december 2004. De voorzieningenrechter heeft bij beschikking van 22 december 2010 bepaald dat voor de duur van de scheidingsprocedure de kinderen aan [B.] worden toevertrouwd en appellant de woning niet mag betreden. Appellant heeft van 4 april 2011 tot 22 september 2011 in Marokko verbleven.

1.2.

Bij brief van 14 juli 2011 heeft [B.] de Svb verzocht de kinderbijslag aan haar uit te betalen, omdat appellant niet bijdraagt aan het onderhoud van de kinderen. Na overleg met de maatschappelijk werkster van [B.], is op 3 augustus 2011 door [B.] kinderbijslag aangevraagd voor dezelfde kinderen. Bij besluit van 5 oktober 2011 heeft de Svb de betaling aan appellant van de kinderbijslag met ingang van het derde kwartaal van 2011 opgeschort. De rechtbank Utrecht heeft bij beschikking van 16 november 2011 de echtscheiding uitgesproken, waarbij is vastgesteld dat tussen appellant en [B.] een omgangsregeling is overeengekomen. De rechtbank heeft bepaald dat [B.] huurster zal zijn van de woning met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. De beschikking is op 19 december 2011 ingeschreven. Bij besluit van 18 januari 2012 is de uitbetaling van de kinderbijslag aan appellant voor de kinderen [S.], [M.], [O.] en [W.] met ingang van het derde kwartaal van 2011 beëindigd.

1.3.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 januari 2012 is bij besluit van

7 mei 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit van 7 mei 2012 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Svb in redelijkheid heeft kunnen besluiten [B.] in plaats van appellant aan te wijzen als degene aan wie de kinderbijslag wordt uitbetaald. Het beleid op grond waarvan de kinderbijslag wordt uitbetaald aan degene die het eerst een aanvraag heeft ingediend, is op zichzelf niet onredelijk. De Svb heeft in redelijkheid kunnen besluiten van dit beleid af te wijken. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat door de kinderbijslag aan [B.] te betalen deze geheel ten goede is gekomen aan de kinderen, gelet op de duurzame ontwrichting van het huwelijk. Indien de kinderbijslag van [B.] zou worden teruggevorderd, zou dit voor haar onevenredig zware financiële gevolgen hebben. Dubbele uitbetaling van de kinderbijslag strookt niet met de bedoeling van de wetgever.

3.1.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de kinderbijslag ten onrechte niet aan hem is uitbetaald. Volgens appellant is geen sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van de beleidsregel rechtvaardigen. Appellant heeft zijn kinderen en [B.] onderhouden. Appellant stelt dat hij meer heeft bijgedragen dan € 25,- per week. Hij betaalde de huishuur en alle andere kosten van de kinderen en de echtgenote. Appellant heeft erop gewezen dat de kinderbijslag jarenlang aan hem is uitbetaald, de echtscheidingsbeschikking pas in december 2011 is ingeschreven en hij pas vanaf januari 2012 op een ander adres woont. Als gevolg van het staken van de uitbetaling van de kinderbijslag moet appellant aan de belastingdienst acht maal € 239,- terugbetalen wegens onterecht ontvangen toeslag en kindgebonden budget.

3.2.

De Svb heeft gesteld dat in verband met bijzondere omstandigheden terecht van de beleidsregel is afgeweken. De kinderbijslag is al uitbetaald en ten goede gekomen aan de kinderen, waarmee aan de bedoeling van de wetgever is voldaan. Terugvordering van de kinderbijslag zou een onevenredig nadeel opleveren voor [B.].

3.3.

[B.] heeft gesteld dat de kinderbijslag terecht aan haar is uitbetaald. Volgens [B.] ontving zij slechts € 25,- tot € 30,- per week van appellant en moest zij daarmee rondkomen. Van dit geld heeft [B.] onder andere kinderkleding en een computer gekocht en schoolgeld betaald. Appellant heeft tijdens de echtscheidingsprocedure in Marokko verbleven en is daar een huwelijk met een tweede vrouw aangegaan. [B.] dacht dat appellant niet meer terug zou komen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In dit geding staat ter beoordeling of de Svb terecht de kinderbijslag over het derde en vierde kwartaal van 2011 niet aan appellant heeft uitbetaald.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant, [B.] en de kinderen op de peildata van deze kwartalen tot hetzelfde huishouden behoorden.

4.3.

Artikel 18, eerste, tweede en derde lid, van de AKW luidt als volgt:

“1. De Sociale verzekeringsbank betaalt de kinderbijslag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na afloop van het kwartaal waarover recht op kinderbijslag bestaat.

2. Indien twee personen, die gezamenlijk een huishouden vormen, over eenzelfde tijdvak recht op kinderbijslag voor eenzelfde kind hebben, wordt de kinderbijslag uitbetaald aan degene van hen die zij gezamenlijk daartoe hebben aangewezen.

3. Bij gebreke van een gezamenlijke aanwijzing als bedoeld in het tweede lid bepaalt de Sociale verzekeringsbank aan welke persoon de kinderbijslag wordt uitbetaald.ˮ

4.4.

Juist is dat de Svb in dit geval geen toepassing heeft kunnen geven aan artikel 18,

tweede lid, van de AKW omdat appellant en [B.] niet gezamenlijk één van hen hadden aangewezen als degene aan wie de kinderbijslag zou worden uitbetaald. Tussen partijen is niet in geschil dat daaraan niet afdoet dat in het ouderschapsplan van 28 september 2011 is opgenomen dat [B.] “gerechtigd is tot de kinderbijslagˮ, nu daarmee is bedoeld de situatie te regelen na de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand op 19 december 2011.

4.5.

Voor de toepassing van de bevoegdheid van artikel 18, derde lid, van de AKW heeft de Svb een beleidsregel (SB1095) vastgesteld op grond waarvan bij samenloop van het recht op kinderbijslag binnen één huishouden, waarbij geen gezamenlijke aanwijzing voor de uitbetaling van die kinderbijslag heeft plaatsgevonden, de kinderbijslag wordt uitbetaald aan de persoon die het eerst de aanvraag heeft ingediend.

4.6.

Het oordeel van de rechtbank dat deze beleidsregel op zichzelf niet onredelijk is, kan worden gevolgd. Geen van de partijen heeft het standpunt ingenomen dat de beleidsregel op zichzelf onredelijk is.

4.7.

Ingevolge artikel 4:84 van de Awb is het bestuursorgaan verplicht te handelen overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

4.8.

Voor beantwoording van de vraag of de Svb in afwijking van het beleid heeft mogen beslissen om de kinderbijslag over het derde en vierde kwartaal van 2011 niet aan appellant uit te betalen, dient te worden beoordeeld of de Svb in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat deze beslissing voor [B.] gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

4.9.

De omstandigheden waarin appellant en [B.] zich in 2011 bevonden, kunnen met recht als bijzonder worden aangemerkt. De Svb heeft er op de zitting van de Raad terecht op gewezen dat sprake was van een voor de toepassing van de AKW relevante wijziging in de omstandigheden, doordat appellant bij de beschikking van 22 december 2010 van de voorzieningenrechter is bevolen dat hij de woning niet mag betreden en doordat hij op

4 april 2011 naar Marokko is vertrokken. Aannemelijk is dat [B.] - hetgeen door appellant niet is betwist - niet op de hoogte was of en, zo ja, wanneer appellant naar Nederland zou terugkeren. Een verzoek van de Svb aan appellant om inlichtingen is gedurende ruim twee maanden onbeantwoord gebleven. Mede daardoor heeft de Svb de gewijzigde omstandigheden niet kunnen vaststellen voordat de situatie opnieuw was veranderd. Immers, appellant heeft na zijn terugkeer naar Nederland in de woning van [B.] en de kinderen verbleven. Dit heeft ertoe geleid dat de Svb heeft moeten vaststellen - hetgeen tussen partijen niet in geschil is - dat appellant op de peildatum van het derde kwartaal en geruime tijd daarvoor en daarna tot het hetzelfde huishouden behoorde als [B.] en de kinderen. Deze vaststelling doet evenwel niet af aan het bijzondere karakter van de situatie. Appellant beschikte op het moment van zijn terugkeer nog niet over een eigen woning en aannemelijk is dat [B.] heeft getracht verdere conflicten te vermijden door appellant niettemin tot de woning toe te laten.

4.10.

Wat betreft de met de beleidsregel te dienen doelen heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de kinderbijslag in het verleden steeds aan appellant is uitbetaald. De Svb heeft benadrukt met de uitbetaling aan [B.] het belang is gediend dat de kinderbijslag ten goede komt aan de kinderen. Voor zover dit belang al kan worden beschouwd als een met de beleidsregel te dienen doel, kan deze redenering niet worden gevolgd, omdat met deze redenering - ook als zij juist is - niet zonder meer wordt uitgesloten dat wanneer zou zijn beslist dat de kinderbijslag aan appellant wordt uitbetaald, de kinderbijslag evenzeer aan de kinderen ten goede was gekomen. Niet in geschil is dat appellant eerder dan [B.] kinderbijslag heeft aangevraagd.

4.11.

Wat betreft de gevolgen van de uitbetaling aan appellant voor [B.] heeft de rechtbank terecht - in navolging van de Svb - de financiële situatie van [B.] in aanmerking genomen. De vraag welke de gevolgen zouden zijn van de uitbetalingsbeslissing dient te worden beantwoord naar de omstandigheden zoals deze waren of konden worden voorzien op het moment van het nemen van de (tijdige) beslissing over de uitbetaling. Te voorzien was dat door uitbetaling aan appellant [B.] in een situatie zou worden gebracht waarin zij met de vier kinderen van een gering bedrag in de maand diende rond te komen. Immers, bij de beschikking van 22 december 2010 van de voorzieningenrechter was de zorg voor de vier kinderen aan [B.] toevertrouwd. [B.] beschikte op dat moment niet over een eigen inkomen. Appellant ontving een pensioen op grond van de Algemene ouderdomswet en een aanvulling op grond van de Wet Werk en Bijstand. Aannemelijk is dat appellant de vaste lasten van het huishouden betaalde en ongeveer

€ 25,- per week aan [B.] verstrekte. De stelling dat [B.] nog over andere gelden zou hebben beschikt, wordt niet gevolgd. Uit de overgelegde bankafschriften is niet gebleken van andere inkomsten van [B.]. De kasopnames door [B.] in september 2011 zijn daarvoor onvoldoende bewijs. Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat de uitbetalingsbeslissing tot gevolg heeft dat appellant de kindtoeslag en het kindgebonden budget aan de belastingdienst dient terug te betalen. Niet onredelijk is dat de Svb aan dit gegeven kennelijk minder gewicht heeft gehecht, nu appellant - wetende dat hem de toegang tot de woning was ontzegd en hij voor een onbekende periode naar Marokko zou vertrekken - de mogelijkheid had om de belastingdienst te verzoeken de kindtoeslag en het kindgebonden budget met ingang van april 2011 te beëindigen in verband met de gewijzigde gezinssituatie. Gelet op de omstandigheden heeft de Svb in redelijkheid tot de conclusie kunnen komen dat de uitbetaling van de kinderbijslag over het derde en vierde kwartaal van 2011 aan appellant voor [B.] gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Daarom heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Svb in redelijkheid heeft kunnen besluiten van het beleid af te wijken en te beslissen dat de kinderbijslag over deze kwartalen aan [B.] wordt uitbetaald.

4.12.

Uit de overwegingen onder 4.1 tot en met 4.11 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van

J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar

op 19 december 2014.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) J.C. Hoogendoorn

MK