Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4321

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2014
Datum publicatie
07-01-2015
Zaaknummer
13-3784 AOW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:7608, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening AOW-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3784 AOW

Datum uitspraak: 19 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

13 juni 2013, 12/5324 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2014. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma-Hovers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 1 januari 2010 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd en hierbij aangegeven dat hij samenwoont met een partner jonger dan 65 jaar.

1.2.

Bij besluit van 5 november 2010 heeft de Svb aan appellant met ingang van maart 2010 een AOW-pensioen toegekend. Daarbij is bepaald dat appellant recht heeft op 64% van het maximale AOW-bedrag voor iemand die met een ander meerderjarig persoon samenwoont of gehuwd is. Tegen dit besluit heeft appellant rechtsmiddelen aangewend voor zover dit de hoogte van het aantal niet verzekerde jaren betreft. Bij uitspraak van 31 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1940, heeft de Raad, voor zover van belang, het besluit van

5 november 2010 herroepen en bepaald dat appellant met ingang van maart 2010 recht heeft op een pensioen ingevolge de AOW van 82% van het voor hem geldende maximale pensioen.

1.3.

Op 8 april 2011 heeft de Svb van appellant een levensbewijs ontvangen waarop hij heeft aangegeven dat hij niet meer in Suriname woont en dat hij alleenstaand is. Naar aanleiding hiervan is het AOW-pensioen van appellant niet gewijzigd. Bij e-mail van 15 mei 2012 heeft appellant de Svb te kennen gegeven dat hij er achter is gekomen dat hij ten onrechte geregistreerd staat als samenwonend.

1.4.

Bij besluit van 20 juli 2012 heeft de Svb het aan appellant toegekende AOW-pensioen met ingang van april 2011 herzien naar de norm voor een alleenstaande. In verband hiermee is appellant over de maanden april 2011 tot en met juni 2012 een nabetaling toegekend van

€ 3.477,28.

1.5.

Bij besluit van 9 november 2012 (bestreden besluit) heeft de Svb het tegen het besluit van 20 juli 2012 ingestelde bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan heeft de Svb ten grondslag gelegd dat er geen reden is voor een eerdere herziening dan met ingang van april 2011 omdat appellant op 6 april 2011, bij de Svb binnengekomen op 8 april 2011, voor het eerst heeft doorgegeven dat hij ongehuwd of alleenstaand is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de Svb het

AOW-pensioen terecht met ingang van april 2011 heeft herzien en er tot die datum van uit heeft kunnen gaan dat appellant samenwonend was. Bij zijn aanvraag van 1 januari 2010 heeft appellant immers aangegeven dat hij samenwoont, waarna hem bij besluit van 5 november 2011 een AOW-pensioen is toegekend voor iemand die gehuwd is of samenwoont met een andere meerderjarige. De door appellant tegen dit besluit aangewende rechtsmiddelen betroffen alleen het aantal niet verzekerde jaren. De omstandigheid dat de Svb wist dat de partner van appellant nog in Suriname woonde en bij de toekenning van het AOW-pensioen niet heeft gewacht op het levensbewijs, maakt dit niet anders.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, evenals in beroep, aangevoerd dat hij nooit een duurzaam samenlevingsverband met iemand heeft gehad. Hij zou gaan samenwonen met een vrouw die nog in Suriname woonde, maar hij kwam er achter dat het niet verstandig was om dit te gaan doen. Dit heeft hij persoonlijk doorgegeven aan de Svb en hij ging ervan uit dat dit was verwerkt. Eerst in 2012, bij de aanvraag van zijn pensioen bij het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, kwam hij er achter dat hij bij de Svb stond geregistreerd als samenwonend. Hij heeft de Svb steeds correct geïnformeerd; de Svb gaat selectief te werk door alleen die informatie te verwerken die in het voordeel van de Svb uitvalt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 17, derde lid, van de AOW is bepaald dat de herziening van het ouderdomspensioen, welke voortvloeit uit een wijziging der omstandigheden en welke een verhoging van dit ouderdomspensioen tot gevolg heeft, ingaat op de eerste dag van de maand, waarin de wijziging van die omstandigheden heeft plaatsgevonden.

4.2.

Voor zijn gronden tegen het oordeel van de rechtbank heeft appellant in hoger beroep herhaald wat hij al in beroep naar voren heeft gebracht. Daarin ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in de aangevallen uitspraak is neergelegd. De Raad verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank waarop dit oordeel berust en verwijst daarnaar.

4.3.

De Raad voegt daaraan nog toe dat het aan appellant is om aan te tonen dat hij nooit heeft samengewoond, hoewel hij dit van meet af aan wel heeft aangegeven. Appellant is daarin niet geslaagd. Op zijn aanvraag van 1 januari 2010 heeft appellant onder B aangegeven dat hij ongehuwd is en met zijn partner woont. Vervolgens heeft appellant tot aan het formulier levensbewijs van 6 april 2011 nooit melding gemaakt van het feit dat hij dient te worden aangemerkt als alleenstaande. Bovendien heeft hij tijdens een telefoongesprek op

27 oktober 2010 over zijn woonsituatie zelf aangegeven dat hij alvast een AOW-pensioen wenste en dat de toeslag niet per se meteen hoefde te worden toegekend omdat het opsturen van het formulier levensbewijs naar zijn vrouw nog wel enige tijd zou duren.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van

J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

19 december 2014.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) J.C. Hoogendoorn

nk