Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:432

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-02-2014
Datum publicatie
18-02-2014
Zaaknummer
11-4672 WAJONG-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Weigering Wet Wajong-uitkering. De Raad volgt appellant in zijn stelling dat het Uwv ter motivering van zijn standpunt dat de voor appellant geselecteerde functies voldoen aan de door de psychiater, in het door appellant naar voren gebrachte rapport, noodzakelijk geachte bescherming niet heeft kunnen volstaan met een verwijzing naar de algemene inhoudsomschrijving van de functies. De Raad draagt het Uwv op het gesignaleerde motiveringsgebrek te herstellen.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten 2:5
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/79

Uitspraak

11/4672 WAJONG-T

Datum uitspraak: 7 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van

30 juni 2011, 10/3540 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft M. Tracey hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door Tracey. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren [in] 1990, heeft op 24 november 2009 een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsarts van het Uwv appellant onderzocht. Uit dit onderzoek is gebleken dat appellant een pervasieve ontwikkelingsstoornis NAO heeft en mogelijk ADHD, alsmede een zeer lichte verstandelijke beperking. Appellant heeft weinig geduld en concentratieproblemen, is snel afgeleid en in werksituaties ontstaat snel ruzie met collega’s. Taken gaan beter als ze een keer worden voorgedaan. Appellant heeft vooral problemen met het houden van overzicht, het plannen en structureren en het beredeneren van oorzaak en effect. Hij heeft praktische begeleiding nodig, maar heeft moeite met het accepteren van hulp. De verwachting is dat zijn medische situatie en functionele mogelijkheden op lange termijn wezenlijk zullen verbeteren.

1.2. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van appellant vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 maart 2010. De eerste arbeidsongeschiktheidsdag is gelegen voor de zeventiende verjaardag en de belastbaarheid is sindsdien ongewijzigd. Arbeidskundig onderzoek heeft vervolgens uitgewezen dat appellant geschikt is voor een aantal functies, waarvan een drietal als basis voor het vaststellen van zijn theoretisch resterende verdiencapaciteit heeft gediend. Afgezet tegen zijn maatmaninkomen, dat in het geval van appellant is gesteld op het minimum jeugdloon, leidt dit tot de conclusie dat appellant geen verlies aan verdiencapaciteit heeft. Bij besluit van 26 mei 2010 heeft het Uwv de aanvraag van appellant afgewezen.

1.3. Naar aanleiding van het door appellant tegen het besluit van 26 mei 2010 gemaakte bezwaar heeft een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv mede aan de hand van door appellant overgelegde medische informatie de belastbaarheid van appellant herbeoordeeld. De bezwaarverzekeringsarts heeft de FML op 6 augustus 2010 met betrekking tot het vasthouden en verdelen van de aandacht, omgaan met conflicten en werk dat geen leidinggevende aspecten bevat aangescherpt. Onderzoek van een bezwaararbeidskundige van het Uwv heeft uitgewezen dat de primair geselecteerde functies ondanks de gewijzigde FML toch in voldoende mate als passend zijn te beoordelen, waardoor er geen verlies aan verdiencapaciteit is vast te stellen. Vervolgens heeft het Uwv het bezwaar bij besluit van 2 september 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1. In beroep heeft appellant aangevoerd dat het niet reëel is te verwachten dat hij structureel werkzaamheden in gangbare arbeid zou kunnen verrichten. Onder verwijzing naar een verklaring van 29 april 2010 van zijn behandelend psychiater Vriens heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat en dat de door de (bezwaar)arbeidsdeskundige geselecteerde functies zijn belastbaarheid overschrijden.

2.2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank berust het bestreden besluit op een deugdelijke medische onderbouwing, waarbij voldoende rekening is gehouden met de verklaring van Vriens van 29 april 2010. Door in bezwaar extra beperkingen aan te nemen met betrekking tot het vasthouden en het verdelen van de aandacht heeft het Uwv voldoende rekening gehouden met de door Vriens benadrukte noodzaak van een intensieve begeleiding van appellant bij arbeid. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijden.

3.1. In hoger beroep heeft appellant een rapport van psychiater N.J. De Mooij ingezonden. Deze heeft op basis van eigen onderzoek en informatie van de behandelaars van appellant geconcludeerd dat er bij appellant sprake is van ADHD, PDD/NOS en een disharmonisch intelligentieprofiel. Appellant wordt vaak te hoog ingeschat, heeft moeite met plannen, analyseren, ordenen, structureren en het beredeneren van oorzaak en gevolg. Hij heeft veel begeleiding, extra uitleg en ondersteuning nodig, bij gebreke waarvan hij vaak vastloopt in werksituaties. Daarnaast is ook duidelijk geworden dat zich bij appellant persoonlijkheidspathologie heeft ontwikkeld, waarbij sprake is van antisociale en mogelijk ook borderline trekken. Ten slotte is de gewetensfunctie van appellant gebrekkig, heeft hij moeite zich langdurig aan anderen te hechten en vertoont hij zwart-wit denken. Volgens

De Mooij zijn deze beperkingen voldoende vastgelegd in de FML van 6 augustus 2010, behoudens op het punt van de noodzaak van begeleiding bij het werk. Mede gelet op bij Vriens ingewonnen medische informatie heeft De Mooij zich op het standpunt gesteld dat de onder punt 12 van de rubriek persoonlijk functioneren gestelde beperking, volgens welke appellant is aangewezen op werk waarin zo nodig teruggevallen kan worden op directe collega’s of leidinggevenden (geen solitaire functies), te mager is. Volgens De Mooij is appellant aangewezen op feitelijke begeleiding en heeft hij sturing nodig.

3.2. In zijn rapport van 27 maart 2012 heeft de bezwaarverzekeringsarts het standpunt van

De Mooij over de voor appellant noodzakelijke begeleiding in het werk onderschreven. De bezwaarverzekeringsarts heeft een extra beperking aangenomen met betrekking tot het beoordelingspunt 1.9.3 van de FML, waarmee hij te kennen heeft gegeven dat appellant is aangewezen op werk dat onder rechtstreeks toezicht (veelvuldig feedbacks) en/of onder intensieve begeleiding wordt uitgevoerd. In een rapport van 29 maart 2012 heeft de bezwaarverzekeringsarts het niveau van toezicht en/of begeleiding, als bedoeld in de FML onder beoordelingspunt 1.9.3 zodanig verwoord dat belanghebbende meer toezicht van een leidinggevende nodig heeft dan zijn collega’s, dat de leidinggevende het grootste deel van de tijd op de werkvloer aanwezig is en dat de leidinggevende voortdurend een oogje in het zeil moet houden en moet ingrijpen indien nodig.

3.3.1. In zijn rapport van 5 april 2012 heeft de bezwaararbeidsdeskundige te kennen gegeven dat appellant, rekening houdende met de aangescherpte FML van 27 maart 2012, - in ieder geval - in staat is de functies van productiemedewerker metaal en elektro-industrie

(SBC-code 111171), wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050) en huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334) te verrichten.

3.3.2. Volgens de bezwaararbeidsdeskundige voldoen deze functies alle aan het vereiste niveau van toezicht/feedback. In de functie productiemedewerker metaal en elektro-industrie is er continu een leidinggevende op de werkvloer aanwezig die een oogje in het zeil houdt en zonodig kan ingrijpen. In de functie wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur wordt in een team gewerkt dat onder functionele leiding staat van een meewerkend voorman. In de functie huishoudelijk medewerker gebouwen wordt onder algemene leiding van een projectleider en onder directe leiding van een voorwerker gewerkt.

3.3.3. Tot slot heeft de bezwaararbeidsdeskundige becijferd dat geen sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit, zodat het Uwv geen aanleiding heeft gezien anders te oordelen over de in het bestreden besluit vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid.

3.4. In zijn reactie op dit nadere standpunt van het Uwv heeft appellant herhaald dat hij niet in staat is arbeid op de reguliere arbeidsmarkt te verrichten. De door de bezwaararbeidsdeskundige beschreven begeleiding in de geselecteerde functies voldoet niet aan de door De Mooij noodzakelijk geachte feitelijke sturing tijdens het werk. Volgens appellant heeft de bezwaararbeidsdeskundige voor de vaststelling van de voor appellant noodzakelijke begeleiding in de geselecteerde functies ten onrechte volstaan met een verwijzing naar de (algemene) beschrijving van de geselecteerde functies.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Omdat het bestreden besluit is genomen na 1 januari 2010 en ziet op een aanvraag die voor deze datum is ingediend, zal het bestreden besluit worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van hoofdstuk 3 van de op 1 januari 2010 in werking getreden Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong).

4.2.

Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd te kennen gegeven dat het hoger beroep is beperkt tot de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit. Gelet op het feit dat de bezwaarverzekeringsarts het standpunt van De Mooij over de voor appellant noodzakelijk begeleiding heeft onderschreven staat centraal de vraag of de geselecteerde functies voldoen aan het vereiste van feitelijke begeleiding en sturing.

4.3.

De Raad volgt appellant in zijn stelling dat het Uwv ter motivering van zijn standpunt dat de voor appellant geselecteerde functies voldoen aan de door De Mooij noodzakelijk geachte bescherming niet heeft kunnen volstaan met een verwijzing naar de algemene inhoudsomschrijving van de functies. Gelet op het rapport van De Mooij ligt het op de weg van de bezwaararbeidsdeskundige nader te onderbouwen of bij de uitoefening van de geselecteerde functies ook een mate en intensiteit van begeleiding mogelijk is die tegemoetkomt aan de specifieke beperkingen van appellant. Een dergelijke nadere motivering is te meer aangewezen omdat in elk geval in de functies productiemedewerker metaal- en elektro-industrie en wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur de beschreven functionele leiding door een meewerkend teamleider/voorman niet lijkt te voorzien in de door De Mooij noodzakelijk geachte feitelijke sturing. In die zin wordt het bestreden besluit, wat betreft de arbeidskundige gronden daarvan, in onvoldoende mate gemotiveerd geacht. Dit betekent dat dit besluit in rechte geen stand kan houden.

4.4.

De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan bovenstaande uitkomst wordt gegeven. Daarbij stelt hij voorop dat de bestuursrechter bij een (te verwachten) vernietiging van een besluit op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil behoort te onderzoeken. Dit houdt in dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hij zelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of een - formele dan wel

informele - bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is.

4.5.

In dit geval leent de aard van het vastgestelde gebrek zich niet voor een andere wijze van herstel dan door het betrokken bestuursorgaan. De Raad ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen het in 4.3 gesignaleerde gebrek in het besluit van 2 september 2010 te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 2 september 2010 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en R.E. Bakker en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2014.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) J.C. Hoogendoorn

HD