Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4317

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
11-3081 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing. Ontslag wegens verstoorde verhoudingen. Uit de tussenuitspraak volgt dat bestreden besluit 1, waarbij de bezwaren tegen de schorsing en het ontslag niet-ontvankelijk zijn verklaard wegens het ontbreken van processueel belang, voor vernietiging in aanmerking komt, evenals de aangevallen uitspraak waarbij het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond moet worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/3081 AW, 11/3082 AW, 13/3519 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

12 april 2011, 09/3836 en 09/3838 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Hilversum (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij tussenuitspraak van 2 augustus 2012, 11/3081 AW-T en 11/3082 AW-T, heeft de Raad het college opgedragen om binnen twaalf weken na verzending van die tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 21 september 2009 (bestreden besluit 1) te herstellen. Het college dient alsnog een inhoudelijk besluit te nemen op de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 15 maart 2007 (schorsing) en 29 mei 2007 (ontslag).

Het college heeft, na veelvuldig uitstel tijdens de procedure vanwege de gezondheidstoestand van appellant, op 24 juni 2013 een nieuwe beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) gegeven. Op 26 juli 2013 heeft het college nadere stukken ingezonden.

Appellant is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze schriftelijk naar voren te brengen. De Raad heeft hem in verband met zijn gezondheidstoestand enige malen uitstel geboden van het indienen van zijn zienswijze. Desondanks is geen schriftelijke zienswijze ontvangen.

Tevens heeft de Raad enige malen uitstel verleend van de zitting van de Raad. Naar aanleiding van de oproep van 27 augustus 2014 is namens appellant opnieuw om uitstel verzocht. De Raad heeft daarop aan partijen laten weten dat vanwege het belang van finale geschilbeslechting geen nieuw uitstel wordt verleend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2014. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Stové en

drs. M. Kranse.

OVERWEGINGEN

1. Aan de tussenuitspraak ontleent de Raad de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 15 maart 2007 is appellant voor de duur van een maand geschorst en bij besluit van 29 mei 2007 is aan appellant ontslag verleend. Tegen deze besluiten heeft appellant bezwaar gemaakt. Tijdens de bezwaarfase heeft mediation plaatsgevonden. De deelnemers aan de mediation hebben afspraken gemaakt over een regeling die toegespitst was op het volgen van scholing en een deeltijdovereenkomst met het oog op begeleiding en stage. Nadat appellant de desbetreffende overeenkomst op 7 maart 2008 had ondertekend, heeft de directeur van de dienst [naam dienst] op 10 maart 2008 ondertekend met de handgeschreven toevoeging “onder voorbehoud van instemming door het college van B en W op 18/3/08”. Appellant heeft vanwege deze toevoeging niet met een speciale belangrijke opleiding durven starten. Hij heeft het college bij brief van 18 maart 2008 meegedeeld dat en waarom hij door de toevoeging niet akkoord gaat met de overeenkomst. Het college heeft vervolgens op

18 maart 2008 ingestemd met de overeenkomst.

1.2.

Met verwijzing naar de volgens het college rechtsgeldig tot stand gekomen overeenkomst heeft het college bij bestreden besluit 1 de bezwaren tegen de schorsing en het ontslag

niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van processueel belang. De rechtbank heeft vervolgens bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat appellant gebonden was aan de gemaakte afspraken en het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

2. De Raad heeft in zijn tussenuitspraak overwogen dat het college pas instemming heeft gegeven aan de overeenkomst nadat appellant had meegedeeld dat hij van de overeenkomst afzag. Aan appellant kan niet het recht worden ontzegd om van zijn ondertekening van de overeenkomst, waarmee hij in wezen een voorstel aan het college deed, terug te komen voordat het college zijn besluit had genomen. Hieruit volgt dat de grondslag is ontvallen aan de overeenkomst tussen appellant en het college. Het college heeft de aanwezigheid van een overeenkomst dus ook ten onrechte aan het bestreden besluit 1 ten grondslag gelegd. Dit betekent dat dit besluit in rechte geen stand kan houden, evenals de aangevallen uitspraak waarbij het beroep tegen dit besluit ongegrond was verklaard. De Raad heeft het college opgedragen het gebrek in bestreden besluit 1 te herstellen door het nemen van een inhoudelijk besluit op de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 15 maart 2007 (schorsing) en

29 mei 2007 (ontslag).

3. Het college heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak het bezwaar opnieuw ter advisering voorgelegd aan de bezwarencommissie personele aangelegenheden (commissie). Overeenkomstig het advies van de commissie heeft het college bij bestreden besluit 2 het bezwaar tegen het schorsingsbesluit en tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard en een ontslagvergoeding toegekend, bestaande uit de (reeds bij het primaire ontslagbesluit toegekende) maximale uitkering uit hoofde van hoofdstuk 10a van de Arbeidsvoorwaardenregeling Hilversum (ARH) en als zogenoemde plus een ontslaguitkering van € 9.033,70, zijnde 2,5 maandsalaris (inclusief vakantiegeld) op basis van de door de Raad in zijn vaste rechtspraak gehanteerde formule. Het advies van de commissie om daarnaast

€ 7.000,- voor kosten van rechtsbijstand toe te kennen, zoals het college eerder in de procedure had aangeboden, heeft het college niet gevolgd. De Raad zal bestreden besluit 2, gelet op het bepaalde in artikel 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ontslag wegens verstoorde verhoudingen

4.1.

Appellant is, na een langdurige periode van arbeidsongeschiktheid, vanaf juni 2003 zeer geleidelijk begonnen met re-integratie bij de afdeling [afdeling 1], naar welke afdeling zijn voorheen bij de afdeling [afdeling 2] gepositioneerde functie was overgegaan. Uit de gedingstukken blijkt dat deze re-integratie van meet af aan is gekenmerkt door allerlei verschillen van inzicht over praktische zaken, zoals de inrichting van de werkplek en de situering van de parkeerplek voor appellants auto. Ook over de door appellant te verrichten werkzaamheden bestond voortdurend verschil van inzicht tussen appellant en zijn opeenvolgende leidinggevenden. Kort samengevat was appellant van mening dat hij beneden zijn kunnen werd ingezet, terwijl de leidinggevenden appellant vanwege zijn beperkingen onder meer qua te werken uren niet te ingewikkelde werkzaamheden wilden opdragen en ook niet tevreden waren over de kwantiteit en kwaliteit van de wel door hem verrichte werkzaamheden. Deze strubbelingen over de door appellant te verrichten werkzaamheden hadden ook een negatief effect op de acceptatie van appellant door zijn collega’s.

4.2.

In april 2006 is besloten appellant tijdelijk over te plaatsen naar de afdeling [afdeling 3] om hem een nieuwe kans te bieden op volledige re-integratie; daarbij is hem uitzicht geboden op terugkeer naar [afdeling 1]. De gedingstukken laten zien dat appellant weliswaar bij [afdeling 3] waardering kreeg voor zijn inzet, maar dat zijn voortdurende kritische houding over allerlei praktische zaken en zijn negatieve houding naar collega’s bij [afdeling 1], met wie hij na zijn tijdelijke plaatsing bij [afdeling 3] weer zou moeten gaan samenwerken, belemmeringen vormden voor een terugkeer van appellant naar de afdeling [afdeling 1]. Het college heeft daaruit bij het primaire besluit van 29 mei 2007 de conclusie getrokken, dat aan appellant ontslag moest worden verleend wegens onherstelbaar verstoorde verhoudingen.

4.3.

De Raad is van oordeel dat het college zijn stelling dat ten tijde van het ontslag sprake was van een onherstelbaar verstoorde verhouding met appellant aannemelijk heeft gemaakt. Uit de gedingstukken komt naar voren dat tussen appellant, zijn opeenvolgende leidinggevenden en de collega’s bij [afdeling 1] met wie hij weer zou moeten samenwerken geleidelijk aan zodanige irritaties waren gegroeid, dat een vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk was. Voortzetting van het dienstverband kon daarom redelijkerwijs niet van het college worden verlangd. Het college was dan ook bevoegd appellant met toepassing van artikel 8:8 van de ARH te ontslaan.

4.4.

Vervolgens staat de Raad voor de vraag of de onder 3 omschreven ontslagvergoeding toereikend moet worden geacht. De Raad stelt allereerst vast, dat de toegekende uitkering uit hoofde van hoofdstuk 10a van de ARH voldoet aan de eisen die daaraan volgens vaste rechtspraak (CRvB 27 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7006) worden gesteld. Bovenop die uitkering is een zogenoemde plus verschuldigd, als komt vast te staan dat het bestuursorgaan een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid, of als een uitkering op dat niveau gezien de omstandigheden van het geval niet redelijk kan worden geacht (CRvB 9 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO8173). De Raad stelt vast, dat het college overeenkomstig het advies van de commissie als plus een uitkering van € 9.033,70 heeft toegekend, waarbij uitgegaan is van een overwegend aandeel van het college, met een bandbreedte van 51-65%. Deze uitkering is berekend volgens de door de Raad in zijn vaste rechtspraak gehanteerde formule (uitspraak van 28 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2043). De commissie heeft terecht aangenomen dat de verwijtbaarheid voor het mislukken van de re-integratie bij beide partijen ligt. Vooral in de eerste fase van de re-integratie heeft het college appellant te veel ruimte gegeven om zelf zijn re-integratie vorm te geven. Het college had actiever en meer gestructureerd op de re-integratie moeten sturen door een re-integratieplan en een opleidingsplan op te stellen en systematischer functioneringsgesprekken te houden. Daar staat tegenover dat appellant meer eigen verantwoordelijkheid had moeten en kunnen nemen voor zijn re-integratie en dat hij, ondanks aangeboden coaching en begeleiding, een onvoldoende flexibele, opbouwende en voortvarende houding is blijven vertonen. Alles overziende is de Raad van oordeel dat er geen aanleiding is om het aandeel van het college hoger te schatten dan de 51-65% waar de commissie vanuit is gegaan en dat appellant met de als plus toegekende uitkering niet is tekortgedaan.

Schorsing

4.5.

Het college heeft het besluit van 15 maart 2007 om appellant in het belang van de dienst te schorsen gebaseerd op dezelfde gronden waarop het ontslagvoornemen was gebaseerd. De Raad is van oordeel dat het college deze maatregel bij afweging van de betrokken belangen redelijkerwijs heeft kunnen nemen, nu appellant volgens afspraak moest terugkeren naar zijn oude afdeling [afdeling 1], terwijl verstoorde verhoudingen daarvoor een belemmering vormden, en er geen mogelijkheden waren appellant te herplaatsen naar een functie op zijn vakgebied, waar hij niet met medewerkers van [afdeling 1] te maken zou krijgen.

Slotsom

4.6.

Op grond van het overwogene in de tussenuitspraak, bezien in samenhang met hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, komt de Raad tot het volgende oordeel. Uit de tussenuitspraak volgt dat bestreden besluit 1, waarbij de bezwaren tegen de schorsing en het ontslag niet-ontvankelijk zijn verklaard wegens het ontbreken van processueel belang, voor vernietiging in aanmerking komt, evenals de aangevallen uitspraak waarbij het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond moet worden verklaard.

4.7.

Voor een veroordeling van het college in de kosten van appellant ziet de Raad geen grond. De kosten van rechtsbijstand in bezwaar komen op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb niet voor vergoeding in aanmerking, nu de primaire besluiten van 15 maart 2007 en 29 mei 2007 niet zijn herroepen. De Raad is niet gebleken van proceskosten in beroep en in hoger beroep die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht komt wel voor vergoeding in aanmerking.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 september 2009 gegrond en vernietigt dit

besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 juni 2013 ongegrond;

- bepaalt dat het college aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 450,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.A. Kooijman en M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2014.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) C.E.M. van Paddenburgh

HD