Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4306

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
14-4180 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het standpunt van betrokkene in zijn zienswijze dat hij - indien hij niet geschikt is voor een andere functie - zijn oude functie moet kunnen hervatten, dan wel geplaatst dient te worden in een daarmee overeenkomende passende functie, kan niet worden aangemerkt als het tonen van interesse voor, laat staan solliciteren naar de functie van medior medewerker beheer. Betrokkene was ermee bekend dat zijn oude functie zou worden opgeheven en dat hij dus geen functievolger was. De gevolgen van de keuze van betrokkene om uitsluitend te solliciteren op de functie van teammanager dienen onder deze omstandigheden voor zijn risico te komen. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2015/42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4180 AW

Datum uitspraak: 18 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

23 juni 2014, 13/9052 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.M. Langemeijer en J. Lut. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door T.W. van Genderen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was werkzaam in de functie van Medior Medewerker PSA (medewerker PSA) van het Cluster Personeel, Productgroep PSA Dienstverlening, team Personeels- en Salarisadministratie van de gemeente [gemeente]. Van 1 december 2010 tot 1 mei 2013 heeft hij eerst gedeeltelijk en later volledig de functie van Coördinator Serviceplein HRS (coördinator) waargenomen.

1.2.

In een bijeenkomst op 29 november 2012 zijn de medewerkers van de productgroepen PSA Dienstverlening en het Expertisecentrum geïnformeerd over de reorganisatie van het Cluster Personeel. Bij brief van 15 januari 2013 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat zijn functie door de reorganisatie zal verdwijnen. Op 21 februari 2013 is een medewerkersbijeenkomst gehouden over de plaatsingsprocedure en specifiek de procedure voor de functies waarop kon worden gesolliciteerd.

1.3.

Bij brief van 9 maart 2013 heeft betrokkene (uitsluitend) gesolliciteerd naar de functie van Teammanager Servicedesk HRS (teammanager). Na een gesprek op 12 april 2013 heeft de selectiecommissie hem op 26 april 2013 mondeling meegedeeld dat hij onvoldoende geschikt is voor deze functie en niet is geplaatst in de nieuwe organisatie. Na het voornemen daartoe, waarop betrokkene zijn zienswijze heeft gegeven, heeft appellant betrokkene bij besluit van 11 juni 2013 met ingang van 11 juli 2013 aangewezen als re-integratiekandidaat en besloten hem per 11 september 2014 eervol ontslag te verlenen wegens reorganisatie.

1.4.

Bij besluit van 1 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 11 juni 2013 ongegrond verklaard.

1.5.

Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft onder andere aangevoerd dat de reorganisatie niet zorgvuldig is verlopen, dat het ‘mens volgt werk principe’ gevolgd had moeten worden en dat hij geplaatst had moeten worden op de met zijn functie van medewerker PSA in de nieuwe organisatie vergelijkbare functie van Medior Medewerker Beheer HR (medior medewerker beheer).

1.6.

Hangende de beroepsprocedure is betrokkene met ingang van 1 november 2013 geplaatst op de functie van Medewerker Service Support III bij het Intern Dienstencentrum (medewerker SS III). Bij besluit van 14 januari 2014 heeft appellant te kennen gegeven dat hiermee de aanwijzing van betrokkene als re-integratie kandidaat en het eervol ontslag bij besluit van 11 juni 2013 zijn komen te vervallen. Bij de toezending van dit besluit aan de rechtbank heeft appellant gesteld dat daarmee het besluit van 11 juni 2013 is ingetrokken en verzocht om het beroep van betrokkene niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van procesbelang. Betrokkene heeft zijn beroep gehandhaafd, omdat met deze plaatsing niet aan zijn beroep tegemoet is gekomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het procesbelang van betrokkene niet verloren is gegaan door zijn plaatsing als medewerker SS III. Zij heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het bezwaar [tegen het besluit van 11 juni 2013] gegrond verklaard en bepaald dat aan betrokkene een absolute voorkeurspositie wordt toegekend voor de functie van medior medewerker beheer. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant de reorganisatie zo heeft ingericht, dat hij niet verplicht is om de ambtenaar van wie de functie vervalt in een bepaalde volgorde te plaatsen, maar dat de ambtenaar om in aanmerking te komen voor een andere functie dient te solliciteren naar één of meer functies. Bij een dergelijke wijze van reorganiseren mag van appellant worden verwacht dat hij zijn medewerkers volledig, ondubbelzinnig en duidelijk informeert over hun rechten en plichten en in individuele gevallen uitdrukkelijk wijst op het belang om naar meerdere functies te solliciteren. In de situatie van betrokkene heeft appellant niet aan deze zorgvuldigheidseis voldaan. Betrokkene had immers gesolliciteerd naar een functie met een zwaarder takenpakket dan zijn functie van medewerker PSA omdat appellant hem, door de opgedragen waarneming van de functie van coördinator, op het spoor had gezet van sollicitatie naar de functie van teammanager. Daarom heeft de rechtbank een absolute voorkeurspositie aan betrokkene toegekend, die inhoudt dat wanneer er een vacature komt voor de functie van medior medewerker beheer de functie aan betrokkene moet worden toegekend.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat betrokkene (na sollicitatie) bij het besluit van 14 januari 2014 is geplaatst in de functie van medewerker SS III en daar geen bezwaar tegen heeft ingediend, waardoor zijn procesbelang is komen te vervallen. Appellant heeft verder aangevoerd dat de reorganisatie en de voorlichting daarover zorgvuldig zijn verlopen. Betrokkene heeft op verschillende momenten laten weten niet geïnteresseerd te zijn in een andere functie en uitsluitend te willen solliciteren op de functie van teammanager. Hij heeft nooit zijn interesse kenbaar gemaakt voor de functie medewerker beheer. Deze functie is niet gelijk aan zijn oude functie, maar wel passend voor betrokkene. Als er een functie vrijkomt is betrokkene welkom om te solliciteren binnen HRS, maar zijn plaatsing mag niet ten koste gaan van

re-integratiekandidaten die nog niet zijn geplaatst, zodat van een absolute voorkeurspositie geen sprake kan zijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij het besluit van 14 januari 2014 zijn de aanwijzing van betrokkene als

re-integratiekandidaat en het voorgenomen eervol ontslag per 11 september 2014 weliswaar komen te vervallen, maar niet met terugwerkende kracht tot 11 juli 2013. Betrokkene had dan ook nog steeds belang bij beoordeling door de rechtbank van de aanwijzing als

re-integratiekandidaat.

4.2.1.

De Raad volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van het besluit tot aanwijzing als re-integratiekandidaat. Hij overweegt daartoe als volgt.

4.2.2.

Het voornemen tot reorganisatie is uitgewerkt in een Plan van Aanpak (PvA), dat is gebaseerd op de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Den Haag en het Sociaal Beleidskader Den Haag 2011 (SBK). Vast staat dat de oude functie van betrokkene van medewerker PSA in het kader van de reorganisatie werd opgeheven en dat hij, gelet op

artikel 5.5 van het SBK en hoofdstuk 4 van het PvA op basis van beschikbaarheid van vacante functies en geschiktheid voor de functie zou kunnen worden geplaatst in de nieuwe organisatie. Hierover zijn twee voorlichtingsbijeenkomsten geweest waar betrokkene bij aanwezig was. Hij is in de gelegenheid gesteld om te solliciteren op de beschikbare functies en heeft zelf besloten om uitsluitend te solliciteren op de functie van teammanager. Voor die functie, die zwaarder was dan de oude functie van betrokkene en dan de functie die hij waarnam, was één vacature. Betrokkene had dan ook kunnen en moeten begrijpen dat het risico bestond dat hij niet in deze functie zou worden benoemd en had veiligheidshalve ook kunnen solliciteren op een of meer andere functies. De Raad acht het, mede gelet op het advies van de Adviescommissie Reorganisatie van 7 juni 2013 over de zienswijze van betrokkene op het voornemen, verder aannemelijk dat zowel de selectiecommissie als de Adviescommissie Reorganisatie betrokkene de vraag hebben voorgelegd of hij heeft overwogen om ook op een andere functie te solliciteren en dat hij in reactie daarop te kennen heeft gegeven zich alleen kandidaat te willen stellen voor de functie van teammanager. Het standpunt van betrokkene in zijn zienswijze dat hij - indien hij niet geschikt is voor een andere functie - zijn oude functie moet kunnen hervatten, dan wel geplaatst dient te worden in een daarmee overeenkomende passende functie, kan niet worden aangemerkt als het tonen van interesse voor, laat staan solliciteren naar de functie van medior medewerker beheer. Betrokkene was ermee bekend dat zijn oude functie zou worden opgeheven en dat hij dus geen functievolger was. De gevolgen van de keuze van betrokkene om uitsluitend te solliciteren op de functie van teammanager dienen onder deze omstandigheden voor zijn risico te komen.

4.3.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt.

De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 oktober 2013 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en N.J. Van Vulpen-Grootjans en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2014.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD