Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4305

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
13-1687 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag Wubo-toekenningen. In onvoldoende mate aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Overschrijding redelijke termijn is geheel aan de bestuurlijke fase toe te schrijven en komt dus voor rekening van verweerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1687 WUBO

Datum uitspraak: 18 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 maart 2013, kenmerk BZ01489692 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2014. Daar is namens appellant mr. Van Berkel verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1938, heeft in maart 2011 een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te komen voor onder meer een periodieke uitkering. De aanvraag is gebaseerd op gezondheidsklachten die naar de mening van appellant het gevolg zijn van zijn oorlogservaringen in het toenmalig Nederlands-Indië, te weten:

I. de mishandeling van en moord op de heer [naam 1];

II. de evacuatie c.q. vlucht naar het 10e Bataljon;

III. incidenten in het 10e Bataljon.

1.2.

Bij besluit van 8 mei 2012, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder op die aanvraag afwijzend beslist op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Verweerder is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat appellant getuige is geweest van de mishandeling en moord op de heer [naam 1]. De evacuatie c.q. vlucht naar het 10e Bataljon heeft volgens verweerder niet plaatsgevonden vanuit of onder levensbedreigende omstandigheden. Van de door appellant genoemde incidenten in het 10e Bataljon is geen bevestiging verkregen dat appellant daarbij aanwezig is geweest, aldus verweerder.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Mishandeling en moord op de heer [naam 1]

2.1.1.

In het ten behoeve van onderhavige aanvraag opgemaakte sociaal rapport is vermeld dat de vader van appellant door de tuinjongen van [naam 1] werd verzocht mee te komen naar de woning van [naam 1]. Bij de woning van [naam 1] is appellant - die door zijn vader was meegenomen - getuige geweest van de mishandeling en moord op de heer [naam 1]. Van de aanwezigheid van nog andere personen wordt in het rapport geen melding gemaakt. De vader van appellant is in 1977 overleden. In het bij verweerder aanwezige relatiedossier van de vader dat ziet op een aanvraag in het kader van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 zijn geen voor onderhavige zaak van belang zijnde gegevens aangetroffen. Andere bevestigingsgegevens zijn niet aanwezig.

2.1.2.

Onder deze omstandigheden heeft verweerder terecht niet aannemelijk geacht dat appellant de moord aanwezig is geweest. Hierbij wordt aangetekend dat volgens vaste rechtspraak de eigen verklaring van een betrokkene, zonder dat er andere, objectieve, gegevens zijn die de verklaring ondersteunen, onvoldoende is om de door een betrokkene gestelde gebeurtenis te aanvaarden. Voor het verrichten van een medisch onderzoek om zo de gebeurtenis (medisch) geverifieerd te krijgen ziet ook de Raad geen aanleiding. Een dergelijke werkwijze hanteert verweerder over het algemeen wel bij een gesteld seksueel misbruik indien - kort gezegd - voldoende aannemelijk is dat dit zou kunnen hebben plaatsgevonden. Dat verweerder deze wijze van verificatie ook in andere gevallen hanteert, is niet gebleken. Wat hier verder ook van zij, in dit geval is al niet aannemelijk geworden dat appellant bij de gestelde calamiteit aanwezig is geweest.

Evacuatie/ vlucht naar het 10e Bataljon

2.2.1.

Bij het beantwoorden van de vraag of de vlucht/evacuatie naar het 10e Bataljon plaatsvond vanuit of onder levensbedreigende omstandigheden acht de Raad leidend de uitspraak van 5 april 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW1766), in het geding tussen de broer van appellant, [naam broer], en verweerder. In die uitspraak is op basis van gegevens in relatiedossiers van de familieleden, waaronder het dossier van appellant, geconcludeerd dat met betrekking tot de vlucht naar het 10e Bataljon veeleer sprake was van een vlucht uit voorzorg, die net op tijd plaatsvond met een door Molukse soldaten beschermde truck naar een veiliger locatie. Verder is in die uitspraak geoordeeld dat gelet op de inconsistentie van de door appellant en zijn broers gegeven verklaringen niet aannemelijk is geworden dat de vlucht zelf onder levensbedreigende omstandigheden heeft plaatsgevonden.

2.2.2.

Hetgeen in onderhavige geding naar voren is gebracht geeft de Raad geen aanleiding nu anders te concluderen.

Incidenten in het 10e Bataljon

2.3.1.

In dit verband heeft appellant naar voren gebracht dat hij getuige is geweest toen de Molukker [naam 2]met een zwaard het hoofd van een pemoeda afhakte en daarna het bloed van zijn zwaard aflikte. Daarnaast heeft appellant melding gemaakt van de dood (of zware verwonding) van drie Molukse vrouwen die in de kali bij het kamp kleren aan het wassen waren. Op grond van de aanwezige gegevens kan de Raad niet anders concluderen dan dat niet is gebleken dat appellant bij deze gebeurtenissen aanwezig is geweest. In bezwaar en beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn neef [naam neef] ook bij die gebeurtenissen aanwezig zou zijn geweest. Dit blijkt echter niet uit het sociaal rapport, waarin [naam neef] alleen in ander verband wordt genoemd. Bovendien heeft verweerder bij onderzoek geen verdere gegevens van [naam neef] aangetroffen.

2.4.

Van andere onder de werking van de Wubo te brengen gebeurtenissen is de Raad niet gebleken.

3. Namens appellant is verzocht om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.1.

De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens naar voren komt.

3.2.

In dit geval betreft het een procedure in twee instanties, te weten bezwaar en beroep (in eerste en enige aanleg). In zaken zoals deze, waarin het primaire besluit is genomen vóór

1 februari 2014 (met ingang van die datum wordt uitgegaan van een kortere termijn, zie de uitspraak van de Raad van State van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188), is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee-en-een-half jaar in beslag heeft genomen. Heeft de procedure langer geduurd, dan moet vervolgens per instantie worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen twee jaar zouden moeten worden afgerond (9 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI2179).

3.3.

In het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 7 juni 2012 tot aan de datum van deze uitspraak zijn twee jaar en bijna zeven maanden verstreken. De redelijke termijn is dan ook met (minder dan) een maand overschreden. De Raad heeft noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellante aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee en een half jaar zou mogen bedragen. De behandeling van het bezwaarschrift heeft ruim negen maanden in beslag genomen, dus meer dan een half jaar. Het ter zitting namens verweerder gehouden betoog dat de overschrijding van de behandelingsduur aan (de gemachtigde van) appellant moet worden toegeschreven faalt, waarbij de Raad volstaat met te verwijzen naar zijn - bij verweerder inmiddels bekende - uitspraak van 6 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:745. Niet kan worden gezegd dat in onderhavige zaak buitensporig vaak of lang uitstel is verzocht en verkregen. De redelijke termijn is in de rechterlijke fase van de procedure niet overschreden. De overschrijding is daarom geheel aan de bestuurlijke fase toe te schrijven en komt dus voor rekening van verweerder.

3.4.

Volgens de rechtspraak van de Raad is in het algemeen een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. De geleden schade moet in dit geval dus worden vastgesteld op een bedrag van € 500,-.

4. Gelet op hetgeen onder 3.1 tot en met 3.4 is overwogen, moet het beroep gegrond worden verklaard en moet het bestreden besluit worden vernietigd. Hetgeen onder 2.1.1 tot en met 2.4 is overwogen geeft aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten. De Raad zal verweerder veroordelen tot een schadevergoeding van € 500,-.

5. Aanleiding bestaat om verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 974,- in beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 14 maart 2013;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een

bedrag van € 500,-;

- bepaalt dat verweerder aan appellant het betaalde griffierecht van € 44,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en E.R. Eggeraat als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) S.W. Munneke

HD