Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4302

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
14-544 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om vergoeding van de kosten van twee tandheelkundige implantaten. De Raad acht het bestreden besluit met de medische adviezen voldoende zorgvuldig voorbereid en draagkrachtig gemotiveerd. Het is niet aannemelijk dat zijn huidige gebitsproblemen door de oorlog zijn veroorzaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/544 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te[woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 januari 2014, kenmerk BZ01654570 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940‑1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren in 1936, is erkend als vervolgde in de zin van de Wuv. Daaraan ligt ten grondslag dat hij, als kind van joodse ouders, in de periode 1942-1945 ondergedoken heeft gezeten op de Veluwe nabij Epe. Aanvaard is dat zijn psychische klachten, met tinnitus (oorsuizen) als onderdeel daarvan, in verband staan met de vervolging.

1.2.

Bij brief van 3 januari 2013 heeft appellant onder meer verzocht om vergoeding van de kosten van twee tandheelkundige implantaten.

Bij besluit van 8 augustus 2013 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Het hiertegen gerichte bezwaar van appellant is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1.

Met betrekking tot tandartskosten voert verweerder het beleid dat deze in beginsel alleen voor vergoeding in aanmerking komen als het gaat om causale gebitsaandoeningen. Voor zover hier van belang, kunnen tandartskosten ook voor vergoeding in aanmerking komen als het gaat om gebitsaandoeningen als gevolg van causale aanlegstoornissen. Dit is het geval als er in de oorlogsperiode sprake is geweest van internering gedurende minimaal zes maanden vóór de 15e verjaardag en bovendien een zogenoemde rode draad aanwijsbaar is. Daarvoor is vereist dat tijdens de internering sprake is geweest van langdurige ondervoeding. Tevens moet er een consistent verhaal zijn met betrekking tot de gebitsproblemen door de jaren heen, waarbij tijdens en/of vanaf de oorlog een duidelijke langdurige tandheelkundige problematiek aanwezig is geweest, ondanks voldoende onderhoud.

2.2.

Aan de weigering van verweerder om de kosten van de implantaten te vergoeden ligt de overweging ten grondslag dat de gebitsklachten van appellant niet in verband staan met de vervolging, maar door andere oorzaken zijn ontstaan. Verweerder heeft deze overweging doen steunen op de adviezen van twee geneeskundig adviseurs, de arts R. Loonstein en in bezwaar de arts A.J. Maas. Laatstgenoemde arts heeft zijn advies mede gebaseerd op een persoonlijk onderhoud met appellant.

2.3.

De Raad acht het bestreden besluit met deze medische adviezen voldoende zorgvuldig voorbereid en draagkrachtig gemotiveerd. Tegenover de adviezen staan geen objectieve medische gegevens die in andere richting zouden kunnen wijzen. In het geval van appellant is van internering in kampen of gevangenissen geen sprake. Wel heeft hij als kind langdurig ondergedoken gezeten. Bij onderduik wordt echter in het algemeen aangenomen dat de voedselsituatie niet verschilde van die van personen die niet waren ondergedoken (CRvB 11 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL8596). Er zijn geen aanwijzingen dat de voedselsituatie van appellant tijdens zijn onderduik op de Veluwe zo slecht was dat deze vergelijkbaar is met situaties in kampen of gevangenissen. Dat appellant als onderduiker gedurende drie jaar geen tandarts heeft kunnen bezoeken, is evenmin voldoende om aan te nemen dat zijn huidige gebitsproblemen door de oorlog zijn veroorzaakt. Er blijkt niet van een rode draad van ernstige gebitsproblematiek die tot de oorlog kan worden herleid. Blijkens zijn onderzoeksverslag heeft Maas hieraan uitvoerig aandacht besteed. Daarbij zijn geen aanwijzingen gevonden dat in de onderduikperiode of in de jaren daarna bijzondere gebitsklachten zijn opgetreden. Bij die stand van zaken behoefde verweerder geen aanleiding te zien om ook nog een tandheelkundig adviseur in te schakelen. De door appellant in beroep overgelegde verklaring van zijn behandelend tandarts E.F.M. Kloeg is te weinig stellig en concreet om tot een ander oordeel te kunnen leiden.

2.4.

Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en E.R. Eggeraat als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) S.W. Munneke

HD