Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4292

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
14-290 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling bezoldiging wegens arbeidsongeschiktheid. Vaststellingsovereenkomst. Geen sprake van als buitensporig aan te merken omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/290 AW

Datum uitspraak: 18 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

18 december 2013, 13/1856 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.Chr. Snijders, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. S.M. van ’t Westende-van der Veen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Snijders. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Van ’t Westende-van der Veen en S. de Jong.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was van 17 november 1997 tot 1 september 2009 werkzaam bij de Dienst [naam dienst] van de gemeente Amsterdam in de functie van [naam functie A] en uit dien hoofde Buitengewoon Opsporingsambtenaar (BOA).

1.2.

Op 30 november 2006 is appellant tijdens zijn werkzaamheden fysiek mishandeld, met arbeidsongeschiktheid tot gevolg. Appellant is daarna nog enkele keren hersteld geweest waardoor de eerste ziektedag is opgeschoven naar 17 januari 2007. In een expertiseverslag uit september 2007, dat is opgesteld door H. van Andel en H. van der Veen van de HSK Groep, is geconcludeerd dat bij appellant sprake was van klachten die passen bij een posttraumatisch stresssyndroom (PTSS) en een depressieve stoornis. Deze klachten zijn ontstaan in 2004, zijn daarna afgenomen en sinds december 2006 weer toegenomen. Het ontstaan van de klachten hangt volgens het expertiseverslag samen met factoren in de werksituatie, namelijk een aantal traumatische gebeurtenissen en de reactie van de werkgever daarop.

1.3.

Bij besluit van 11 december 2007 heeft het college de bezoldiging van appellant wegens arbeidsongeschiktheid die langer heeft geduurd dan zes maanden, met ingang van 17 juli 2007 vastgesteld op 90%, op grond van artikel 512 van het Ambtenarenreglement [woonplaats] (ARA). Bij besluit van 18 februari 2008 heeft het college de bezoldiging van appellant wegens arbeidsongeschiktheid, die langer dan een jaar heeft geduurd, vanaf 17 januari 2008 vastgesteld op 75%. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen voornoemde besluiten.

Met ingang van 1 september 2009 is aan appellant ontslag verleend op grond van blijvende arbeidsongeschiktheid voor de functie.

1.4.

Op 16 mei 2011 hebben appellant enerzijds en de gemeente [woonplaats] en haar verzekeringsbedrijf anderzijds een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin is vastgelegd dat appellant een bedrag van € 75.000,- ontvangt “ter finale en definitieve regeling van alle schade, wegens het aan hem bij de voorvallen van 11 augustus 2003 en 30 november 2006 toegebrachte letsel en de daaruit voortvloeiende geleden en nog te lijden schade waaronder het verminderd vermogen tot het presteren van arbeid en immateriële schade” en dat alle geschillen tussen partijen terzake van de gevolgen van die voorvallen voor altijd zijn beëindigd.

1.5.

Vervolgens heeft appellant het college verzocht om de behandeling van de bezwaren tegen voornoemde besluiten over de bezoldiging voort te zetten.

Bij besluit van 7 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat er geen sprake is van ongeschiktheid in en door de dienst.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Uit de stukken is volgens de rechtbank onvoldoende gebleken dat de werkzaamheden een buitensporig karakter kenden en dat de arbeidsongeschiktheid in overwegende mate aan de arbeidsconflictueuze situatie te wijten is.

3. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van dit oordeel op de hierna te bespreken gronden betwist.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of appellant arbeidsongeschikt was in en door de dienst en hij op die grond recht had op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging.

Onder arbeidsongeschiktheid in en door de dienst wordt, voor zover hier van belang, verstaan arbeidsongeschiktheid die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten en in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7194) moeten bij de beantwoording van de vraag of sprake is van arbeidsongeschiktheid die in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de opgedragen werkzaamheden eerst de in het werk of de werkomstandigheden gelegen bijzondere factoren, die de arbeidsongeschiktheid zouden hebben veroorzaakt, worden geobjectiveerd. Naarmate de ziekte meer van psychische aard is, zal in meerdere mate sprake moeten zijn van factoren die in verhouding tot dat werk of die werkomstandigheden - objectief bezien - een buitensporig karakter dragen. Pas nadat is vastgesteld dat de aard van het werk dan wel de omstandigheden waaronder dat moest worden verricht - objectief beschouwd - als buitensporig moeten worden aangemerkt, komt de vraag aan de orde of tussen die werkomstandigheden en de ontstane psychische arbeidsongeschiktheid een oorzakelijk verband aanwijsbaar is.

4.3.

Appellant heeft zich in hoger beroep onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 17 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU5577 op het standpunt gesteld dat sprake was van als buitensporig aan te merken omstandigheden. Daarbij heeft hij in de eerste plaats gesteld dat het college onvoldoende nazorg heeft betracht na incidenten die zich voordeden in zijn werkzaamheden.

4.4.

Gelet op de onder 1.3 vermelde inhoud van de vaststellingsovereenkomst kunnen de gevolgen van de incidenten op 11 augustus 2003 en 30 november 2006 niet in de beoordeling van het bestreden besluit worden betrokken. Bij die beoordeling kan dus geen rol spelen dat, zoals appellant heeft gesteld, het college tekort is geschoten in de nazorg van die incidenten door te weinig aandacht te besteden aan de psychische gezondheidsproblemen van appellant die mede daardoor zijn veroorzaakt, en onvoldoende heeft gedaan met de adviezen van de bedrijfsarts in de eerste helft van 2007 om met appellant in gesprek te gaan gezien zijn werk gerelateerde spanningsklachten. De stelling van appellant dat het college onvoldoende nazorg heeft geboden kan dan ook uitsluitend betrekking hebben op nazorg na andere incidenten dan voornoemde twee.

4.5.

Appellant heeft verder naar voren gebracht dat hij geen training heeft gehad waarbij hij heeft leren omgaan met agressie. Het college heeft daarentegenover gesteld dat appellant de cursussen ‘omgaan met geweld’ en ‘conflicthantering’ heeft gevolgd, en dat een vergelijkbare training onderdeel uitmaakte van de opleiding van appellant tot BOA in 1999. Het college heeft echter niet met concrete gegevens aannemelijk gemaakt dat appellant een training heeft gevolgd op het vlak van omgaan met agressie.

4.6.

Appellant heeft verder gewezen op een incident op 3 juli 2007, waarbij hij agressief is bejegend door een winkelier die met zijn auto de weg versperde waarna zijn dienstauto buiten zijn wetenschap om door een omstander bij wijze van grap achteruit is weggereden naar een voor hem niet zichtbare plaats. Appellant heeft de dienstleiding daarna indringend verzocht hem niet meer de straat op te sturen. Van dat incident heeft appellant geen uitgebreid verslag willen doen, waarna hij is uitgenodigd voor een onderzoeksgesprek over het onder zijn verantwoordelijkheid gestolen dienstvoertuig. Voorts is appellant verweten, achteraf is vastgesteld ten onrechte, dat hij op die dag zijn mobilofoon opzettelijk zou hebben uitgezet. Deze omstandigheden zijn, mede in aanmerking genomen het ontbreken van agressietraining, volgens appellant buitensporig. De Raad acht een dergelijk incident inherent aan de dagelijkse werkzaamheden die behoren bij de functie van parkeercontroleur, tevens BOA, zodat dit incident op zichzelf genomen geen buitensporig karakter draagt. Nu niet is gebleken dat van meer dan schelden en plagerij sprake is geweest of dat appellant zich bedreigd heeft gevoeld, is het ontbreken van een agressietraining evenmin van betekenis. In redelijkheid kan van het college niet worden verwacht dat na een dergelijk incident actief nazorg wordt verleend. Alle bijkomende omstandigheden mede in aanmerking nemend, kan niet worden gezegd dat appellant bij of na dit incident objectief bezien is blootgesteld geweest aan werkomstandigheden die als buitensporig vallen te kenschetsen.

4.7.

Appellant heeft voorts gewezen op het intrekken van de opsporingsbevoegdheid in

juli 2007 en de rol die het college daarin heeft gehad. Aan die intrekking lag ten grondslag dat S, teamleider van appellant, op 21 februari 2007 in verband met ziekteverzuimbegeleiding telefonisch contact heeft opgenomen met appellant. Tijdens dat telefoongesprek hoorde S appellant, in privétijd, met stemverheffing spreken in een apotheek en zich kenbaar maken als opsporingsambtenaar. S heeft daarvan schriftelijk verslag gedaan en achteraf is gebleken dat S de situatie onjuist heeft geïnterpreteerd. Naar aanleiding van die gebeurtenis heeft de Minister van Justitie (minister), na een verzoek van het college, bij besluit van 18 juli 2007 de opsporingsbevoegdheid van appellant ingetrokken. De minister heeft het bezwaar van appellant tegen die intrekking gegrond verklaard en dat besluit herroepen. De Dienst [naam dienst] heeft in een brief van 19 mei 2010 verontschuldigingen aan appellant aangeboden voor de gang van zaken rondom het incident bij de apotheek en te kennen gegeven dat de dienst er verstandiger aan gedaan zou hebben eerst de interne procedure over het incident af te ronden, alvorens een verzoek aan de minister doen. Het ten onrechte intrekken van de opsporingsbevoegdheid heeft appellant als zeer kwetsend ervaren. Dit is echter ontoereikend voor het oordeel, alles in aanmerking genomen dat het werk of de omstandigheden waaronder appellant zijn werk moest verrichten, objectief beschouwd, een buitensporig karakter droegen.

4.8.

De verhoudingen tussen partijen zijn in de loop van 2006 en 2007 steeds meer onder druk komen te staan. Het college heeft weinig aandacht besteed aan de psychische gezondheidsproblemen van appellant, die mede zijn veroorzaakt door de diverse incidenten en de verslechterende onderlinge verhoudingen. Voorts heeft de dienstleiding weinig oog gehad voor de adviezen van de bedrijfsarts in de eerste helft van 2007 om met appellant in gesprek te gaan, omdat appellant werkgerelateerde spanningsklachten ervoer die mede van invloed waren op zijn spankracht. Ook deze factoren kunnen echter niet tot het oordeel leiden dat de werk of -werkomstandigheden van appellant - objectief - als buitensporig moeten worden aangemerkt.

5. Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2014.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD