Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4290

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
13-162 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eervol ontslag wegens ernstig verstoorde verhoudingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/162 AW, 13/163 AW

Datum uitspraak: 18 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 27 november 2012, 12/3105 en 12/4650 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.H. Eijmaal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2014. Appellant is verschenen bijgestaan door mr. M. Moszkowicz Jr, advocaat en kantoorgenoot van mr. Eijmaal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.S. van Loon en M.I. Yntema.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was vanaf 2001 aangesteld als vrijwilliger bij de brandweer [plaatsnaam], groep [naam groep]. Appellant was onder meer benoemd tot bevelvoerder en plaatsvervangend groepscommandant. Daarnaast was appellant feitelijk werkzaam als reserve officier van dienst van het samenwerkingsverband tussen de gemeenten [naam gemeente]en [plaatsnaam].

1.2.

Naar aanleiding van een bevelvoerdersoverleg op 26 oktober 2010 heeft appellant in een e-mail van 29 oktober 2010 te kennen gegeven de functie van plaatsvervangend groepscommandant neer te leggen. Daarop hebben vier van de vijf bevelvoerders en de groepscommandant het vertrouwen in appellant opgezegd. Op verzoek van de groepscommandant F is appellant daarna niet meer op de brandweerpost [woonplaats]verschenen.

1.3.

Bij brief van 9 december 2010 heeft de toenmalige gemachtigde van appellant het college laten weten dat appellant zich weer beschikbaar stelt voor werkzaamheden. De groepscommandant heeft in brieven van juni 2011 te kennen gegeven dat hij de terugkeer van appellant niet ziet zitten en dat een aantal leden van het kader en de manschappen wil stoppen als appellant terugkeert. Met voorbeelden van gebeurtenissen heeft de groepscommandant onderbouwd waarom volgens hem terugkeer van appellant ongewenst is.

1.4.

Nadat pogingen om een minnelijke oplossing te bereiken waren mislukt, heeft het college een onderzoek laten verrichten naar de mogelijkheden voor terugkeer van appellant op de post [naam groep]. De personeelsfunctionaris R heeft daartoe in een individueel gesprek aan de plaatsvervangend commandant, de groepscommandant, vijf bevelvoerders en vijf manschappen een achttal vragen voorgelegd. Van de beantwoording van de vragen is een gespreksverslag gemaakt dat de brandweerlieden hebben ondertekend.

1.5.

Bij besluit van 21 december 2011 heeft het college appellant meegedeeld dat hij niet meer wordt ingezet voor werkzaamheden bij de vrijwillige brandweer en als reserve officier van dienst. Na bezwaar heeft het college dit besluit bij besluit van 16 mei 2012 (bestreden besluit 1) gehandhaafd.

1.6.

Na een voornemen, waartegen appellant een zienswijze heeft ingediend, heeft het college bij besluit van 3 april 2012 appellant met toepassing van artikel 19:42, eerste lid, aanhef en onder h, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) per 9 april 2012 eervol ontslag verleend uit zijn functies bij de brandweer en uit de functie van reserve officier van dienst wegens een ernstig verstoorde werkrelatie tussen appellant en het merendeel van zijn collega brandweerlieden. Bij besluit van 2 augustus 2012 (bestreden besluit 2) heeft verweerder het ontslagbesluit na bezwaar gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

3.1.

Appellant heeft de aangevallen uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden. Tevens heeft hij verzocht om toekenning van nadeelcompensatie en schadevergoeding alsmede om een volledige vergoeding van proceskosten.

3.2.

Het college heeft zich achter de aangevallen uitspraak gesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij aanvankelijk, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet op de gespreksverslagen heeft gereageerd. Deze beroepsgrond faalt, omdat de vaststelling van de rechtbank juist is. Bij brief van 14 december 2011 heeft de toenmalige gemachtigde van appellant immers laten weten dat appellant zich op dat moment onthoudt van elk commentaar, omdat hij enkel de beschikking had over geanonimiseerde gespreksverslagen. Dat appellant in een later stadium, nadat hij ongeanonimiseerde gespreksverslagen had gekregen, daarop wel heeft gereageerd, doet aan de juistheid van de vaststelling door de rechtbank niet af.

4.2.

Appellant heeft gesteld dat sprake is van een schending van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat appellant niet betrokken is bij het onderzoek onder zijn collega brandweerlieden. Deze stelling treft geen doel, reeds omdat appellant in de gelegenheid is geweest in de gerechtelijke procedure op de uitkomsten van het onderzoek te reageren en zijn standpunt met bewijsmiddelen te onderbouwen, hetgeen hij onder meer heeft gedaan door bij de rechtbank getuigen te horen.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat het college met de verklaringen van de collega brandweerlieden onvoldoende terughoudend is omgegaan. Deze beroepsgrond faalt. Nadat appellant zich had gemeld voor terugkeer naar de brandweerpost, heeft het college aanleiding gezien een onderzoek onder zijn collega brandweerlieden in te stellen naar het draagvlak voor terugkeer van appellant. Daarbij ging het er niet zozeer om vast te stellen of en hoe bepaalde incidenten, zoals rondom het regelen van de cola-ploeg, precies hadden plaatsgevonden, maar om een beeld te krijgen van de mogelijkheden voor zijn terugkeer. Daarvoor zijn de resultaten van het onderzoek bruikbaar, aangezien het merendeel van de collega brandweerlieden te kennen heeft gegeven vanwege de houding en het gedrag van appellant bezwaren te hebben tegen zijn terugkeer. Dat appellant tegen zijn houding en gedrag anders aankijkt dan zijn collega’s, maakt dat niet anders.

4.4.

Appellant heeft verder aangevoerd dat de schorsing op onvoldoende gronden berust, omdat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verhoudingen op de brandweerpost [woonplaats]ernstig waren verstoord. Deze beroepsgrond faalt eveneens, omdat het college dit niet aannemelijk hoeft te maken om tot schorsing te kunnen overgaan. Op grond van artikel 19:40, aanhef en onder d, van de CAR/UWO kan de vrijwilliger voor een bepaalde tijd worden geschorst in het geval waarin het belang van de dienst dit noodzakelijk maakt.

Naar vaste rechtspraak is een schorsing in het belang van de dienst in beginsel gerechtvaardigd als de goede voortgang van de werkzaamheden wordt bedreigd en een oplossing wordt belemmerd door de aanwezigheid van een of meer van de betrokken personen (CRvB 5 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV0967). Op grond van de brieven van de groepscommandant en de verklaringen van de collega brandweerlieden is aannemelijk dat een terugkeer van appellant na een lange periode van afwezigheid de goede voortgang van de werkzaamheden in de weg stond. Dat het besluit tot schorsing is genomen meer dan een jaar nadat appellant was verzocht niet meer op de brandweerpost te verschijnen, hoefde het college daarvan niet te weerhouden, omdat dit tijdsverloop niet afdoet aan het dienstbelang dat aan de schorsing ten grondslag ligt.

4.5.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het college niet bevoegd was hem ontslag te verlenen, omdat geen sprake was van een ernstige verstoring van de verhoudingen. Uit de e-mail van appellant van 29 oktober 2010 blijkt dat hij zich er bewust van was dat de verhoudingen met zijn collega’s problematisch waren geworden. Tegenover de commissie van advies voor de bezwaarschriften heeft appellant op 29 maart 2012 verklaard dat de relatie met zijn collega’s ‘stuk’ is. Uit de brieven van de groepscommandant en de verklaringen van de collega brandweerlieden komt naar voren dat er ernstige bezwaren bestonden tegen zijn houding en gedrag tegenover collega’s en leidinggevenden, waardoor de onderlinge verhoudingen in de groep negatief werden beïnvloed. Appellant werd als autoritair ervaren, nam soms afstand van de groep, kon zich niet schikken in leiding en werd als gezagsondermijnend gezien. Het merendeel van de collega brandweerlieden heeft verder laten weten niet meer met hem te willen samenwerken, terwijl enkelen van hen ontslag zouden nemen of zich ziek zouden melden bij terugkeer van appellant. Onder deze omstandigheden heeft het college zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de verhoudingen zodanig verstoord waren dat geen uitzicht meer bestond op een herstel van de vruchtbare samenwerking. Daarbij is van belang dat een brandweerorganisatie die vrijwel geheel uit vrijwilligers bestaat, niet adequaat kan functioneren zonder goede onderlinge verhoudingen. Dat appellant eveneens de functie van reserve officier van dienst bij het samenwerkingsverband kwijt raakte, wat volgens appellant weer tot verlies van andere nevenfuncties heeft geleid, heeft het college niet van ontslagverlening hoeven weerhouden. Zonder aanstelling bij de brandweer [plaatsnaam] is het niet mogelijk in functie te blijven als reserve officier van dienst. Het college heeft het belang bij het beëindigen van de aanstelling van appellant bij de vrijwillige brandweer in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van appellant bij het behoud van zijn nevenfuncties.

4.6.

Volgens appellant was er geen aanleiding voor zijn ontslag, omdat hij had kunnen worden overgeplaatst naar een andere brandweerpost binnen de gemeente. Het college heeft echter onweersproken gesteld dat met overplaatsing naar een andere post binnen de gemeente niet kan worden voorkomen dat appellant moet samenwerken met zijn collega brandweerlieden van de post [woonplaats]waarmee de verhoudingen ernstig verstoord zijn.

4.7.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat voor zover sprake is van verstoorde verhoudingen, dit in overwegende mate is te wijten aan de opstelling van het college, zodat aanleiding bestaat voor het toekennen van nadeelcompensatie. Voor het toekennen van vergoeding door het college aan appellant bestaat echter geen aanleiding, reeds omdat het college geen overwegend aandeel heeft gehad in de impasse. Voor het oordeel dat appellant het slachtoffer is geworden van een door het college en het personeel van de brandweerpost [woonplaats]aangewakkerde antistemming bestaan geen aanknopingspunten. Het college had wellicht meer pogingen kunnen ondernemen om de onderlinge verhoudingen op de brandweerpost te verbeteren. Daar staat echter tegenover dat de oorzaak van de verstoorde verhoudingen bij appellant moet worden gezocht. Zijn houding en gedrag is uiteindelijk bij zijn collega’s op weerstand gestuit.

4.8.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Dit brengt tevens mee dat voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding geen grond bestaat.

5. Tot slot bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en W.J.A.M. van Brussel en

P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2014.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) C.E.M. van Paddenburgh

HD