Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4283

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
13-636 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boete. Geen Nederlandse zorgverzekering afgesloten, terwijl de verplichting daartoe wel bestond. Verwijtbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/636 ZVW

Datum uitspraak: 17 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van

20 december 2012, 12/3230 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Zorginstituut Nederland (Zorginstituut)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut per 1 april 2014 de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2014. Appellant is verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulder.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op 27 juni 2011 door het Zorginstituut gemaand binnen 3 maanden een ziektekostenverzekering af te sluiten. Hij is er - voor zover hier van belang - in de desbetreffende brief op gewezen dat het niet voldoen aan deze verplichting zou leiden tot oplegging van een boete van ongeveer € 350,- en dat hij wanneer hij in gebreke blijft een tweede boete zal worden opgelegd.

1.2.

Bij besluit van 14 juli 2011 heeft de Sociale verzekeringsbank (Svb) aan appellant meegedeeld dat hij verzekerd is voor de AWBZ. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij brief van 18 augustus 2011 heeft het Zorginstituut aan appellant meegedeeld dat er onduidelijkheid is ontstaan over zijn verzekeringsplicht en dat daar onderzoek naar wordt gedaan. Op 18 oktober 2011 heeft de Svb op het bezwaar van appellant beslist en hem meegedeeld dat het besluit van 14 juli 2011 wordt gehandhaafd. Daarop heeft het Zorginstituut bij brief van 1 november 2011 aan appellant meegedeeld dat de aanmaning van 27 juni 2011 van kracht blijft.

1.3.

Bij besluit 23 december 2011 is aan appellant een bestuurlijke boete opgelegd van

€ 356,49. Daarbij is hij (opnieuw) gewezen op de consequenties van het onverzekerd blijven.

1.4.

Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het Zorginstituut bij besluit van 6 april 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe is erop gewezen dat gebleken is dat appellant verzekerd is voor de AWBZ en dat zijn Portugese verzekering geen zorgverzekering in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw) is.

1.5.

Bij besluit van 1 november 2012 heeft het Zorginstituut de boete vastgesteld op € 343,74.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de Portugese ziektekostenverzekering van appellant niet kan worden aangemerkt als een zorgverzekering in de zin van de Zvw, omdat deze verzekering niet voldoet aan de in artikel 25 van de Zvw gestelde voorwaarden.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij ten tijde van de oplegging van de boete een ziektekostenverzekering had in Portugal. Nu hij zijn ziektekosten in Nederland vergoed kreeg ging hij ervan uit dat deze verzekering kon worden beschouwd als zorgverzekering in de zin van de Zvw.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.1.

Ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de Zvw gaat het Zorginstituut op basis van vergelijking van bij ministeriële regeling aan te wijzen bestanden na welke verzekeringsplichtigen in weerwil van hun verzekeringsplicht niet krachtens een zorgverzekering verzekerd zijn. Ingevolge het tweede lid van dit artikel zendt het Zorginstituut een verzekeringsplichtige als bedoeld in het eerste lid een schriftelijke aanmaning om zich binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de datum van verzending van de aanmaning, alsnog op grond van zo’n verzekering te verzekeren of te laten verzekeren.

4.1.2.

Ingevolge artikel 9b, eerste lid, van de Zvw, voor zover hier van belang, legt het Zorginstituut, indien een verzekeringsplichtige aan wie een aanmaning als bedoeld in artikel 9a is verzonden niet binnen drie maanden na verzending daarvan verzekerd is, aan hem een bestuurlijke boete op.

4.1.3.

Artikel 5:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete oplegt indien voor de overtreding een rechtvaardigingsgrond bestond.

4.1.4.

In artikel 5:41 van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete oplegt voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.

4.1.5.

Artikel 5:46, derde lid, van de Awb bepaalt dat indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, het bestuursorgaan niettemin een lagere boete oplegt indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

4.2.1.

Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat appellant ten tijde van de oplegging van de boete geen Nederlandse zorgverzekering had afgesloten, terwijl de verplichting daartoe wel bestond. De Portugese ziektekostenverzekering is niet als een zodanige verzekering te beschouwen. De Raad wijst overigens op zijn uitspraak van 18 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2115. Dat betekent dat het Zorginstituut ingevolge de artikel 9b, tweede lid, en 9c van de Zvw gehouden was een (tweede) bestuurlijke boete op te leggen, behoudens het bepaalde in de artikelen 5:5 en 5:41 van de Awb.

4.2.2.

Voor toepassing van artikel 5:5 van de Awb behoefde het Zorginstituut geen aanleiding te zien, nu geen rechtvaardigingsgronden als bedoeld in dat artikel naar voren zijn gebracht.

4.2.3.

Voor toepassing van artikel 5:41 van de Awb behoefde het Zorginstituut evenmin aanleiding te zien. Wat appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep naar voren heeft gebracht leidt niet tot de conclusie dat hem geen verwijt zou kunnen worden gemaakt van het feit dat hij zich, nadat hij daartoe was gemaand, niet (tijdig) tegen ziektekosten heeft verzekerd. Dat appellant in de veronderstelling heeft verkeerd dat hij geen Nederlandse zorgverzekering behoefde af te sluiten, omdat zijn ziektekosten (met tussenkomst van een Nederlandse verzekeraar) door de Portugese ziektekostenverzekering werden vergoed, is geen omstandigheid die het niet verzekeren niet of minder verwijtbaar maakt. In dit verband is onder meer nog van belang dat niet is gebleken dat appellant over zijn (Nederlandse) verzekeringsplicht onjuist is voorgelicht. Appellant heeft zijn stelling dat de Portugese overheid hem als ingezetene beschouwt en dat hij zich ook daar moet verzekeren

- daargelaten wat van deze stelling zij - niet onderbouwd.

4.3.

De omstandigheden die appellant naar voren heeft gebracht maken niet dat geoordeeld zou moeten worden dat het Zorginstituut op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Awb een lagere boete had moeten opleggen.

4.4.

Uit wat is overwogen in 4.1.1 tot en met 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt volgt uit het in dit geding nog toepasselijke artikel 8:73, eerste lid, van de Awb dat veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk is, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

6. Omdat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in stand blijven is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) K. de Jong

HD