Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:428

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-02-2014
Datum publicatie
14-02-2014
Zaaknummer
12-6268 BPW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering voorzieningen op grond van de Wbp (1), de Wuv (2) en/of de Wubo (3) berust op goede gronden. 1) De Centrale Bestuurscommissie van de Stichting 1940-1945 heeft, na onderzoek van de gestelde verzetsactiviteiten, niet kunnen verklaren dat appellant heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet in de zin van de Wbp. De bevestiging van die verzetsactiviteiten kon in dit geval, ongeveer 70 jaar na dato, niet meer worden verkregen. 2) Ook op het punt van de door appellant gestelde gevangenhouding door de Gestapo kon geen bevestiging worden verkregen. 3) Niet bestreden dat appellant aan zijn gedwongen evacuatie vanuit Swalmen geen medische klachten heeft overgehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6268 BPW, 12/6269 WUV, 12/6270 WUBO

Datum uitspraak: 13 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen:

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (verweerder 1)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder 2)

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder 1 van 25 oktober 2012, kenmerk BZ01512658 (bestreden besluit 1 en de besluiten van verweerder 2 van 25 oktober 2012, kenmerk), BZ01516890 (bestreden besluit 2) en BZ01537955 (bestreden besluit 3). Dit betreft de toepassing van, respectievelijk, de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Wbp), de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) en de Wet uitkeringen

burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerders hebben verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2013. Appellant is verschenen. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.

Appellant heeft op 19 december 2011 verzocht om toekenning van voorzieningen op grond van de Wbp, de Wuv en/of de Wubo. Hij heeft, kort samengevat, aan deze aanvragen ten grondslag gelegd dat hij jarenlang intensieve hulp heeft geboden aan een bevriend echtpaar bij de verzorging en het vervoer naar de Belgische grens van gevluchte Franse krijgsgevangenen. Op een zeker moment is appellant aangehouden door de Grüne Polizei, overgebracht naar de Gestapo in Maastricht en daar hardhandig verhoord. De volgende dag is hij, na opnieuw te zijn verhoord, wegens gebrek aan bewijs vrijgelaten. Appellant was tevens betrokken bij een gedwongen evacuatie uit zijn woonplaats Swalmen naar het noorden van het land in januari 1945.

1.1.

De Centrale Bestuurscommissie van de Stichting 1940-1945 (Stichting) heeft, na onderzoek van de gestelde verzetsactiviteiten, niet kunnen verklaren dat appellant heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet in de zin van de Wbp. Verweerder 1 heeft de

Wbp-aanvraag bij besluit van 1 augustus 2012 (besluit 1) afgewezen. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.2.

Bij besluit van eveneens 1 augustus 2012 (besluit 2) heeft verweerder 2 de aanvraag op grond van de Wuv afgewezen op de grond dat niet is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellant vanwege verzetsactiviteiten gevangen is geweest bij de Gestapo te Maastricht. Appellant heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 1 augustus 2012 (besluit 3) heeft verweerder 2 de Wubo-aanvraag afgewezen. Erkend is dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld. Zijn deportatie uit Swalmen naar Noord-Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog is, aldus het besluit, komen vast te staan. De afwijzing van de aanvraag berust op het ontbreken van een causaal verband tussen het bedoelde oorlogsgeweld en de medische klachten van appellant. Appellant heeft ook tegen besluit 3 bezwaar gemaakt.

1.4.

Bij bestreden besluit 1 is het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard, bij bestreden besluit 2 is het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard en bij bestreden besluit 3 is het bezwaar tegen besluit 3 ongegrond verklaard.

2.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Wbp

2.1.

Voor het aannemen van de verzetsactiviteiten is het nodig dat deze worden bevestigd met nadere gegevens. Alleen een verklaring van de aanvrager kan, hoe stellig en geloofwaardig ook, niet worden aangemerkt als voldoende onderbouwing. De vraag is dus of er, naast de eigen verklaringen van appellant, voldoende andere gegevens zijn die ondersteuning bieden aan de door appellant gestelde deelname aan verzetsactiviteiten.

2.1.1.

De meeste van de personen die een rol spelen in de beschrijvingen van appellant zijn niet meer in leven. De kinderen van het betrokken bevriende echtpaar zijn door de Stichting gehoord, maar zij waren in de oorlogsjaren te jong om over de verzetsactiviteiten van appellant te kunnen verklaren. De beschikbare schriftelijke informatie bevestigt weliswaar in grote lijnen de activiteiten van het echtpaar zoals appellant die heeft beschreven, maar de naam van appellant komt daarin geen enkele keer voor, zodat er ook in zoverre geen bevestiging van zijn aandeel boven tafel is gekomen. Dat betekent dat ondersteunende gegevens in dit geval geheel ontbreken. De door appellant overgelegde getuigenverklaringen betreffende een door hem, tezamen met ongeveer tachtig tot honderd andere personen, geruime tijd na de oorlog te Roermond ontvangen Franse onderscheiding kunnen dat niet anders maken. Het hebben ontvangen van enige onderscheiding brengt op zichzelf beschouwd immers geen gehoudenheid tot erkenning als verzetsdeelnemer in de zin van de Wbp met zich mee. Daarvoor is, als gezegd, bevestiging van in het kader van de Wbp relevante verzetsactiviteiten vereist. Die bevestiging kon in dit geval, ongeveer 70 jaar na dato, niet meer worden verkregen. Nogmaals wordt benadrukt dat daarmee niet is gezegd dat de verklaringen van appellant onjuist zijn; blijkens een bericht van het NIOD hebben zij wel een zekere aannemelijkheid.

2.1.2.

Het voorgaande betekent dat bestreden besluit 1 in rechte stand houdt. Het beroep tegen dit besluit moet ongegrond worden verklaard.

Wuv

2.2.

In het kader van de Wuv is evenzeer bevestiging nodig van datgene wat de aanvrager over zijn ervaringen heeft verklaard. Ook op het punt van de door appellant gestelde gevangenhouding door de Gestapo kon geen bevestiging van zijn relaas worden verkregen. Dat betekent dat ook bestreden besluit 2 in rechte standhoudt. Ook het daartegen gerichte beroep moet ongegrond worden verklaard.

Wubo

2.3.

Appellant heeft, ten slotte, niet bestreden dat hij aan zijn gedwongen evacuatie vanuit Swalmen geen medische klachten heeft overgehouden. Dat betekent dat ook bestreden besluit 3 op goede gronden berust. Ook het beroep tegen dit besluit moet ongegrond worden verklaard.

3.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) O.P.L. Hovens

HD