Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4276

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
11-3382 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college met de omvang van de bij het bestreden besluit aan appellante in verband met haar beperkingen toegekende hulp bij het huishouden voldoende compensatie geboden. Proceskostenveroordeling: motivering in hoger beroep. Overschrijding redelijke termijn: heropening onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3382 WMO, 14/443 WMO

Datum uitspraak: 17 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van

27 april 2011, 10/1665 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.A.D. Boringa, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2013. Appellante en

mr. Boringa zijn niet verschenen. Het college is vertegenwoordigd door

mr. E.J.M. Raaijmakers van de MO-zaak. Het onderzoek ter zitting is gesloten en het onderzoek is heropend.

Het college heeft nadere stukken ingediend en op 18 december 2013 een besluit genomen. Appellante heeft hierop gereageerd.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

Vervolgens heeft een nadere zitting plaatsgevonden op 30 juli 2014. Appellante is vertegenwoordigd door mr. J.J. Achterveld. Het college is vertegenwoordigd door

B. van der Horst van de MO-zaak.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ondervindt beperkingen in haar mobiliteit als gevolg van een auto-ongeval en is bekend met astma en reuma. Appellante beschikte in verband hiermee vanaf 2005 over een indicatie voor huishoudelijke verzorging op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en na de overgang van deze zorg naar de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) per 1 januari 2008 voor hulp bij het huishouden op grond van de Wmo. De omvang van de toekenning is 8,5 uur per week en de toekenning liep tot 8 april 2010. Appellante bewoont sinds 2008 een aanleunwoning bij verzorgingstehuis [verzorgingstehuis] in Leeuwarden.

1.2.

In december 2009 heeft appellante naar aanleiding van een verslechtering van haar gezondheid verzocht om uitbreiding van het aantal uren hulp bij het huishouden. Bij besluit van 6 januari 2010 heeft het college appellante voor de periode van 1 februari 2010 tot en met 31 januari 2015 in aanmerking gebracht voor hulp bij het huishouden voor 5,25 uur per week, te ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).

1.3.

Bij besluit van 13 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 januari 2010 gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college heeft appellante voor de periode van 1 februari 2010 tot 8 oktober 2010 in aanmerking gebracht voor hulp bij het huishouden in klasse 4 (7 tot 9,9 uur per week) en van 8 oktober 2010 tot 1 februari 2015 in klasse 3 (4 tot 6,9 uur per week), te ontvangen in de vorm van een pgb. Bij de bepaling van de omvang van de toegekende zorg heeft het college tijd toegekend voor licht huishoudelijk werk (60 minuten), zwaar huishoudelijk werk (90 minuten), de wasvoorziening (60 minuten) en het bereiden van broodmaaltijden (105 minuten).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de woning van appellante is aan te merken als seniorenwoning en dat het college terecht de hiervoor geldende normtijden voor licht en zwaar huishoudelijk werk heeft toegepast. Het college heeft geen onderzoek hoeven doen naar de COPD-klachten van appellante, omdat met de eventueel hiervoor toe te kennen tijd appellante binnen de bandbreedte van de toegekende klasse blijft. Voorts is overwogen dat het college geen hulp bij het huishouden heeft hoeven toekennen voor het bereiden van warme maaltijden en het doen van boodschappen, omdat appellante hiervoor gebruik kan maken van een maaltijdvoorziening en boodschappenservice. Ook kan appellante met haar scootmobiel zelf boodschappen doen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat zij met de toegekende voorziening onvoldoende is gecompenseerd in haar beperkingen. Hierbij stelt zij zich op het standpunt dat haar woning twee slaapkamers heeft waardoor extra tijd moet worden toegekend voor zwaar huishoudelijk werk. Ook heeft het college ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de COPD-klachten van appellante en dient ter compensatie van de beperkingen als gevolg van deze klachten extra tijd te worden toegekend. Voorts is ten onrechte geen tijd toegekend voor het bereiden van de warme maaltijden, het doen van boodschappen en het opruimen hiervan.

4.1.

Hangende het hoger beroep heeft het college het besluit van 18 december 2013 genomen.

4.2.

Naar aanleiding van het besluit van 18 december 2013 heeft appellante gemotiveerd uiteengezet waarom zij zich niet kan verenigen met de toegekende hulp bij het huishouden. Zij heeft hierbij ook een verzoek gedaan om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

De Raad begrijpt het besluit van 18 december 2013 aldus dat het college hiermee mede zijn beslissing om aan appellante met ingang van 8 oktober 2010 5,25 uur per week hulp bij het huishouden toe te kennen nader heeft gemotiveerd. Het college heeft immers in het besluit, voor zover van belang, toegelicht dat sprake is van een woning met een woonkamer, één slaapkamer en een berging en dat daarom voor zwaar huishoudelijk werk 90 minuten is toegekend. Ook is toegelicht dat geen extra tijd wordt toegekend in verband met de

COPD-klachten, omdat geen medische noodzaak hiervoor is gebleken. Ten slotte heeft het college toegelicht waarom geen tijd wordt toegekend voor het doen van boodschappen en voor de bereiding van warme maaltijden.

5.2.

Daarnaast is sprake van een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu het college bij dit besluit per 1 januari 2014 de hoogte van het toegekende pgb - sinds 8 oktober 2010 bij vergissing berekend en uitgekeerd - naar een indicatie voor 5,5 uur voor hulp bij het huishouden in overeenstemming heeft gebracht met de vastgestelde indicatie voor 5,25 uur. Met dit gedeelte van het besluit van 18 december 2013 wordt niet tegemoet gekomen aan het bezwaar van appellante, zodat het hoger beroep zich op grond van artikel 6:19 van de Awb, in verbinding met artikel 6:24 van de Awb mede uitstrekt tot dit gedeelte van het besluit van 18 december 2013.

5.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante door haar beperkingen niet in staat is volledig zelfstandig een huishouden te voeren. Het geschil is beperkt tot de vraag of het college voldoende tijd aan appellante heeft toegekend voor zwaar huishoudelijk werk in verband met de grootte van de woning en de vraag of extra tijd moet worden toegekend voor extra schoonmaken in verband met COPD-klachten, het bereiden van warme maaltijden en het doen van boodschappen.

Zwaar huishoudelijk werk

5.4.

Appellante heeft aangevoerd dat het college 180 minuten had moeten toekennen voor zwaar huishoudelijk werk, omdat zij de berging van haar woning gebruikt als extra slaapkamer, zodat de woning naast de woonkamer over twee slaapkamers beschikt.

5.5.

Het college heeft de omvang van het aantal toegekende minuten voor zwaar huishoudelijk werk bepaald aan de hand van de Beleidsregels individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Leeuwarden (Beleidsregels) en de Wmo richtlijn Indicatieadvisering voor Hulp bij het Huishouden versie 1.0 (Wmo-richtlijn). Onder 2.1.2 van de Beleidsregels is vermeld dat de werkzaamheden die onder hulp bij het huishouden vallen, in protocollen zijn genormeerd in tijd, afhankelijk van het aantal personen in het huishouden en de grootte van het huis. In Hoofdstuk 3 van de Wmo-richtlijn is de normering voor huishoudelijke taken in minuten vastgesteld. Vervolgens zijn in subparagrafen per activiteit normtijden aangegeven. Subparagraaf 3.1.4 betreft de normtijden voor zwaar huishoudelijk werk. Hierin is vermeld dat de omvang van de benodigde ondersteuning meer afhankelijk is van de grootte en de inrichting van de woning dan van de aanwezigheid van een extra persoon.

5.6.

De Beleidsregels noch de Wmo-richtlijn geven een definitie van het begrip kamer. De Raad heeft in zijn uitspraak van 5 februari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:414) geoordeeld dat het begrip kamer moet worden uitgelegd overeenkomstig hetgeen daaronder in het algemeen spraakgebruik moet worden verstaan, te weten een woon- of slaapkamer. Het college heeft toegelicht dat op basis van de verhuurtekening is uitgegaan van een woning met een woonkamer, één slaapkamer en een berging. De Raad volgt appellante niet in haar betoog dat deze berging moet worden aangemerkt als kamer enkel omdat zij deze als slaapkamer gebruikt. Zoals het college terecht heeft overwogen, betreft het immers een kleine ruimte zonder ramen die op de verhuurtekening expliciet is aangemerkt als berging en niet als (slaap)kamer. In het algemeen spraakgebruik kan ook geen steun worden gevonden voor het standpunt van appellante dat onder een berging mede een slaapkamer kan worden begrepen. Tussen partijen is verder niet in geschil dat blijkens de Wmo-richtlijn 90 minuten moet worden toegekend voor zwaar huishoudelijk werk bij een woning met een woonkamer en één slaapkamer. Het college heeft dan ook in overeenstemming met de Wmo-richtlijn 90 minuten aan appellante toegekend voor zwaar huishoudelijk werk en zij wordt hiermee dus niet tekort gedaan.

COPD

5.7.

Het college heeft ter onderbouwing van het standpunt dat geen extra tijd is toegekend in verband met COPD verwezen naar een tijdens het hoger beroep ingewonnen medisch advies van 10 oktober 2011 van medisch adviseur A.N. van Dijk. De medisch adviseur concludeert op basis van informatie van de huisarts van appellante, waaronder een brief van de longarts aan de huisarts, dat een allergische astma bij appellante niet waarschijnlijk is en dat daarmee een medische noodzaak voor extra schoonmaken niet hard gemaakt kan worden. Appellante heeft terecht aangevoerd dat de onderliggende medische informatie van de huis- en longarts ontbreekt bij het medisch advies. Het college heeft echter kort voor de zitting deze medische informatie alsnog overgelegd en ter zitting heeft appellante gelegenheid gehad om de stukken te lezen en hierop te reageren. Nu uit de brief van de longarts aan de huisarts blijkt dat de longarts astma niet geheel uitgesloten acht bij appellante, maar dat de medicatie vooralsnog wordt gecontinueerd en dat controle over een jaar zal plaatsvinden, kan niet worden ingezien dat zou moeten worden getwijfeld aan de conclusie van de medisch adviseur. Ook anderszins heeft appellante geen (medische) stukken overgelegd die aanleiding geven tot twijfel aan het medisch advies. Het college heeft het medisch advies dan ook aan de besluitvorming ten grondslag kunnen leggen en heeft terecht geen extra tijd toegekend in verband met COPD.

Warme maaltijden

5.8.

Het college heeft geen tijd toegekend voor het bereiden van warme maaltijden, omdat appellante de warme maaltijd kan gebruiken in het restaurant van het verzorgingstehuis dan wel gebruik kan maken van de maaltijdvoorziening van het verzorgingstehuis. Appellante heeft hiertegen aangevoerd dat het college niet heeft onderzocht of dit financieel haalbaar voor haar is en of deze maaltijden passend zijn voor haar. Ook heeft zij aangevoerd dat door het gebruik van verschillende algemeen gebruikelijke voorzieningen sprake is van een opeenstapeling van financiële lasten.

5.9.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen, is het uitgangspunt dat een boodschappendienst en een maaltijdservice algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn die aan het verstrekken van voorzieningen voor het bereiden van maaltijden of het doen van boodschappen in de weg staan, niet in strijd met de Wmo, mits deze boodschappendienst en maaltijdservice daadwerkelijk beschikbaar zijn, door de aanvrager financieel kunnen worden gedragen en adequate compensatie bieden (zie bijvoorbeeld CRvB 31 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY2147). Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet het gebruik van algemeen gebruikelijke voorzieningen in financiële zin ook passend worden geacht voor betrokkenen met een inkomen op het niveau van het sociaal minimum. Appellante heeft niet onderbouwd dat haar financiële situatie van dien aard is dat het gebruik van de maaltijdvoorziening, al dan niet in combinatie met het gebruik van andere algemeen gebruikelijke voorzieningen, daaraan in de weg zou staan. Ook anderszins heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat de maaltijdvoorziening van het verzorgingstehuis niet passend voor haar zou zijn. Deze grond slaagt niet.

Boodschappen

5.10.

Verder verschillen partijen van mening over de vraag of tijd moet worden toegekend voor het doen van boodschappen en het uitpakken en opruimen van boodschappen.

5.11.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante met haar scootmobiel in staat moet worden geacht om zelf boodschappen te doen en dat haar dochter de uitstelbare boodschappen voor haar kan doen. Ook heeft het college gewezen op het speciaal op ouderen ingestelde winkeltje in het verzorgingstehuis. Daarnaast heeft het college aangevoerd dat appellante gebruik kan maken van een boodschappendienst, waaronder de SRV-wagen.

5.12.

De Raad is van oordeel dat voor zover appellante bevreesd is om zich met haar scootmobiel op de gangpaden in de winkel te begeven, van haar mag worden verwacht dat ze door middel van een daarop gerichte training leert om met haar scootmobiel op een veilige manier winkels binnen te gaan en boodschappen te doen. Daarbij kan van haar worden gevergd om de hulp van het personeel of een derde in te roepen als zij onverwacht niet bij een boodschap kan omdat deze te laag of te hoog ligt. Als appellante zou leren om met haar scootmobiel op eigen gelegenheid boodschappen te doen, zou ze het gebruik van het winkeltje, waarvan appellante heeft gewezen op het hoge prijspeil en het beperkte assortiment, zoveel mogelijk kunnen beperken. Daarnaast kan appellante gebruik maken van een boodschappendienst of de SRV-wagen die, zoals het college te kennen heeft gegeven, driemaal per week langskomt en de boodschappen in huis bezorgt. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij geen gebruik kan maken van deze voorzieningen. Met betrekking tot het uitpakken en opruimen van de boodschappen wordt overwogen dat appellante niet door middel van een (medische) verklaring aannemelijk heeft gemaakt dat zij in verband met haar beperkingen hiertoe niet in staat zou zijn. De enkele stelling dat haar hulp dit nu voor haar doet, is in dit kader onvoldoende. Dit leidt dan ook tot de conclusie dat appellante met gebruikmaking van (een combinatie van) de door het college genoemde voorzieningen in staat moet worden geacht om boodschappen te doen en deze uit te pakken en op te ruimen, zodat het college hiervoor geen tijd heeft hoeven toekennen.

Correctie pgb

5.13.

Bij besluit van 18 december 2013 heeft het college het aan appellante toegekende pgb per 1 januari 2014 in overeenstemming gebracht met de vastgestelde indicatie. Er is sprake van een geringe wijziging. Van appellante kan en mag worden verwacht dat zij zich op korte termijn aan deze geringe wijziging aanpast. Het rechtszekerheidsbeginsel brengt bij een dergelijke geringe wijziging niet met zich dat het college gehouden is de ten gunste van appellante gemaakte vergissing langer voort te zetten dan is gedaan.

Conclusie

5.14.

Op grond van de rechtsoverwegingen 5.4 tot en met 5.12 heeft het college met de omvang van de bij het bestreden besluit aan appellante in verband met haar beperkingen toegekende hulp bij het huishouden voldoende compensatie geboden. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Voor zover het hoger beroep is gericht tegen het gedeelte van het besluit van 18 december 2013 waarbij een correctie is aangezegd van het pgb van appellante, slaagt dit, gelet op rechtsoverweging 5.13, ook niet.

6. Gezien de omstandigheid dat het college eerst in hoger beroep een afdoende motivering heeft gegeven van de omvang van de per 8 oktober 2010 toegekende hulp bij het huishouden, bestaat er aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.416,-.

Redelijke termijn

7.1.

Appellante heeft een verzoek gedaan om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant.

7.2.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van

29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Daarvan is in het voorliggende geval niet gebleken.

7.3.

Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het college op

12 februari 2010 van het bezwaarschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en bijna negen maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het college ruim vijf maanden geduurd. Vanaf de ontvangst door de rechtbank op 25 augustus 2010 van het beroepschrift van appellante heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank ruim een jaar en drie maanden geduurd. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst door de Raad op 8 juni 2011 van het hogerberoepschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak ruim drie jaar en bijna vijf maanden geduurd. Aan deze vaststellingen wordt het vermoeden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden door de Raad. Hieraan wordt de conclusie verbonden dat in deze procedure, met - voor zover nodig - verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb moet worden beslist op het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met - eveneens - verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 december 2013 voor zover dit betrekking

heeft op de correctie van het pgb per 1 januari 2014, ongegrond;

- bepaalt dat het onderzoek in de zaken 11/3382 WMO en 14/443 WMO wordt heropend ter

voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van appellante om vergoeding van

schade met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de

Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van

€ 1.416,-;

- bepaalt dat het college het aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 112,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en W.H. Bel en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) H.J. Dekker

HD