Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4275

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
13-1400 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag vervoersvoorziening in de vorm van een scootmobiel omdat appellante geen aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek ondervindt met betrekking tot het zich lokaal verplaatsen. De Raad is van oordeel dat niet gebleken is dat het door het college aan de besluitvorming ten grondslag gelegde medisch advies van Pelzer van 28 januari 2011, onzorgvuldig is voorbereid of dat de daarin getrokken conclusie niet gedragen kan worden door de bevindingen. De Raad ziet dan ook geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de onderhavige medische beoordeling. Aan het advies van Argonaut kan naar het oordeel van de Raad niet de betekenis worden toegekend zoals appellante die voorstaat. Zoals volgt uit de reactie van Pelzer van 24 mei 2011 en zijn nadere toelichting ter zitting, is het advies van Argonaut niet gebaseerd op medische informatie afkomstig van behandelaars, maar enkel op het door appellante vertoonde ziektegedrag. Ten slotte acht de Raad van belang dat appellante in hoger beroep geen andere medische stukken heeft overgelegd die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van Pelzer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1400 WMO

Datum uitspraak: 17 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

5 februari 2013, 12/418 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Brunssum (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.Y. Gans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2014. Appellante en haar gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.L.M. Meijers, J.M. Postulart en drs. T.M.W.L. Pelzer, arts bij de GGD Zuid-Limburg.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een vervoersvoorziening aangevraagd in de vorm van een scootmobiel.

1.2.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft Pelzer op 28 januari 2011, aangevuld op

10 februari 2011, een medisch advies uitgebracht. In dit advies, dat tot stand is gekomen na een huisbezoek op 7 januari 2011, eigen onderzoeksbevindingen, dossierstudie en kennisname van opgevraagde informatie van huisarts Y.M. Nooijen (het complete huisartsendossier vanaf 1994), heeft Pelzer geconcludeerd dat er vanuit medisch perspectief geen noodzaak is voor een scootmobiel. Op basis van de chronisch psychiatrische problematiek bestaat evenmin een noodzaak voor een scootmobiel.

1.3.

Bij besluit van 17 februari 2011 heeft het college de aanvraag van appellante, onder verwijzing naar het medisch advies van Pelzer, afgewezen op de grond dat appellante geen aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek ondervindt met betrekking tot het zich lokaal verplaatsen. Bij besluit van 24 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het college het tegen dit besluit gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat uit het advies van Pelzer volgt dat er geen fysieke afwijkingen zijn geconstateerd die een stoornis in het loopvermogen van appellante veroorzaken of kunnen verklaren en dat de psychische stoornis evenmin een mobiliteitsprobleem veroorzaakt. Appellante heeft geen medische

contra-expertise overgelegd en evenmin op andere wijze het medisch advies van Pelzer weerlegd. Het college heeft op goede gronden de aanvraag voor een scootmobiel afgewezen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Kort samengevat, acht appellante het door het college uitgevoerde onderzoek onvolledig en beperkt. Er is onvoldoende onderzocht in hoeverre de klachten te relateren zijn aan de psychiatrische problematiek. Appellante vindt het medisch advies van Pelzer niet inzichtelijk. Zij betwist dan ook de juistheid van de opmerkingen en de conclusies in dit advies. Appellante voert verder aan dat zij, gelet op haar beperkingen, is aangewezen op een scootmobiel. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst appellante op het medisch advies van Argonaut van 1 maart 2011, op basis waarvan het college aan appellante hulp bij het huishouden heeft toegekend. In dit advies staat onder meer vermeld dat appellante specifieke stoornissen heeft in het bewegingssysteem. Ook de problemen die zij ondervindt in de mobiliteit worden in dit advies geduid en nader toegelicht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt vast, gelet op het betoog van appellante dat het voor haar onvoldoende inzichtelijk is op welke informatie Pelzer zijn medisch advies heeft gebaseerd, dat de in het medisch advies aangehaalde medische informatie, te weten het gehele huisartsendossier vanaf 1994 tot en met heden, inmiddels in de procedure is ingebracht. Deze informatie wordt in de beoordeling betrokken en op basis daarvan overweegt de Raad verder als volgt.

4.2.

In zijn medisch advies vermeldt Pelzer dat uit het huisartsendossier vooral blijkt dat de geuite lichamelijke klachten niet tot nauwelijks berusten op geobjectiveerde somatische pathologie. De door appellante geduide rechtszijdige verlamming is neurologisch niet te duiden. Daarnaast kan de cardioloog ook voor de wegrakingen geen verklaring duiden. Ten slotte betreffen de longklachten COPD, hetgeen met beperkte medicatie wordt behandeld. Wel volgt uit het huisartsendossier dat sprake is van chronisch psychiatrische problematiek. Pelzer concludeert vervolgens in zijn medisch advies dat er bij appellante geen fysieke afwijkingen zijn geduid die een stoornis in haar loopvermogen, hetzij op locomotoor, hetzij op energetisch gebied, veroorzaken. Er is derhalve vanuit medisch perspectief geen noodzaak voor een scootmobiel. De psychiatrische problematiek vormt evenmin een noodzaak voor een scootmobiel, nu appellante in staat is om ook met de bestaande psychiatrische problematiek in haar verplaatsingen te voorzien. Ter zitting bij de Raad heeft Pelzer wat betreft de psychiatrische problematiek nader toegelicht dat appellante geen loopbeperkingen ondervindt als gevolg van de bij haar aanwezige conversiestoornis, omdat dit met de voorgeschreven en gebruikte medicatie behandelbaar en onder controle is. In het advies concludeert Pelzer ten slotte dat de noodzaak om vanwege de psychiatrische stoornis structureel psychofarmaca te gebruiken, een contra-indicatie voor het gebruik van een scootmobiel vormt.

4.3.

De Raad is van oordeel dat niet gebleken is dat het door het college aan de besluitvorming ten grondslag gelegde medisch advies van Pelzer van 28 januari 2011, onzorgvuldig is voorbereid of dat de daarin getrokken conclusie niet gedragen kan worden door de bevindingen. De Raad ziet dan ook geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de onderhavige medische beoordeling. Aan het advies van Argonaut kan naar het oordeel van de Raad niet de betekenis worden toegekend zoals appellante die voorstaat. Zoals volgt uit de reactie van Pelzer van 24 mei 2011 en zijn nadere toelichting ter zitting, is het advies van Argonaut niet gebaseerd op medische informatie afkomstig van behandelaars, maar enkel op het door appellante vertoonde ziektegedrag. Ten slotte acht de Raad van belang dat appellante in hoger beroep geen andere medische stukken heeft overgelegd die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van Pelzer.

4.4.

Het voorgaande betekent dat de in het bestreden besluit neergelegde handhaving van het besluit om een scootmobiel af te wijzen juist is. Het hoger beroep slaagt dan ook niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en D.S. de Vries en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2014.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) M.P. Ketting

nk