Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4272

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
14-471 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering studiefinanciering. Boete. Niet woonachtig op het GBA-adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/471 WSF

Datum uitspraak: 17 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

19 december 2013, 13/281 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N. Birrou, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de behandeling van de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2014. Voor appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Birrou. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg .

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft, voor zover hier van belang, bij besluit van 22 oktober 2011 voor het jaar 2012 studiefinanciering toegekend gekregen berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.

1.2.

Op 20 september 2012 hebben twee controleurs in opdracht van de Minister een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder appellante in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) is ingeschreven om te controleren of zij op dit adres woonachtig is. Van het huisbezoek is op 21 september 2012 een rapport opgemaakt.

1.3.

De Minister heeft op basis van het onder 1.2 genoemde rapport de aanvankelijk over 2012 aan appellante toegekende studiefinanciering bij besluit van 23 oktober 2012 herzien, in die zin dat appellante vanaf 1 januari 2012 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het over de periode januari tot en met september 2012 aan appellante te veel betaalde bedrag van € 1.714,86 is daarbij van haar teruggevorderd. Tevens is, op 19 oktober 2012, aan appellante meegedeeld dat de Minister voornemens was haar een boete op te leggen van € 857,43, omdat appellante niet woont op haar GBA-adres.

1.4.

De Minister heeft het tegen het bij 1.3 genoemde besluit van 23 oktober 2012 door appellante gemaakte bezwaar bij besluit van 12 december 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe is gesteld dat uit het onderzoek dat door de controleurs is verricht is gebleken dat appellante niet woont op haar GBA-adres. De verklaring van appellante over het niet bezitten van een huissleutel is niet geloofwaardig en appellante is niet in staat een adequate beschrijving te geven van haar kamer op het GBA-adres.

1.5.

Bij besluit van 14 december 2012 heeft de Minister aan appellante een boete opgelegd van € 857,43.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de Minister uit het rapport van de controleurs de conclusie heeft mogen trekken dat appellante niet op haar GBA-adres woonde. De rechtbank heeft er daartoe op gewezen dat de hoofdbewoner van het GBA-adres toestemming heeft gegeven voor het onderzoek, terwijl na aanvang van het huisbezoek ook appellante daarbij aanwezig is geweest. Van appellante zijn in de kamer die als de hare is getoond nauwelijks spullen aangetroffen die erop wijzen dat zij die kamer ook daadwerkelijk bewoonde. Hoewel de hoofbewoner heeft verklaard dat appellante een huissleutel bezat, heeft appellante zelf verklaard dat deze sleutel door de hoofdbewoner was ingenomen. De beschrijving die appellante bij aankomst in de woning heeft gegeven van haar kamer komt op meerdere punten niet overeen met de door de controleurs waargenomen situatie.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het onderzoek van de controleurs niet zorgvuldig is geweest. Zij heeft in dit verband gesteld dat de hoofdbewoner de Nederlandse taal niet goed machtig is en dat zij het doel van het huisbezoek niet heeft begrepen. Dat de negenjarige dochter van de hoofdbewoner enkele vragen van de controleurs voor haar moeder heeft vertaald maakt dat niet anders. Mede gelet daarop is niet vast te stellen dat het onderzoek zorgvuldig is geweest. Vast staat dat er van appellante in de kamer spullen zijn aangetroffen. De spullen die niet zijn aangetroffen bevinden zich op andere plaatsen in het huis, maar daar is geen onderzoek gedaan.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijke kader verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

4.2.

Vastgesteld wordt dat de gronden die in hoger beroep zijn aangevoerd grotendeels dezelfde zijn als die in beroep bij de rechtbank zijn aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak uitgebreid besproken en daarover een gemotiveerd oordeel gegeven. De Raad maakt dit oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen tot de zijne. Hij voegt daaraan het volgende toe.

4.3.1.

Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat het huisbezoek niet zorgvuldig is geweest omdat de hoofdbewoner het doel van het huisbezoek, alsmede (een deel van) de vragen van de controleurs niet zou hebben begrepen, en dat het onderzoek niet volledig is geweest.

4.3.2.

Vastgesteld kan worden dat de hoofdbewoner de verklaring “Toestemming huisbezoek” heeft ondertekend. Daarvan maakt ook deel uit de mededeling dat haar het doel van het bezoek is uitgelegd. Dat zij dat doel heeft begrepen kan ook worden afgeleid uit het vervolg van het huisbezoek. Zij heeft op verzoek immers de kamer getoond waarvan ook appellante heeft gesteld dat dat haar kamer was. Voorts heeft zij verklaringen afgelegd over de aan- en afwezigheid van bepaalde spullen op die kamer, die overeenkomen met wat appellante daarover zelf heeft verklaard en die passen bij wat door de controleurs is aangetroffen. De enige twee vragen waarvan uit het rapport naar voren komt dat zij daarop anders heeft geantwoord dan appellante zijn de vraag over het bezit van de huissleutel en de vraag van wie de kleding in de koffer onder het bed was, maar de (voor appellante niet belastende) antwoorden die de hoofdbewoner op die vragen heeft gegeven hebben bij de uiteindelijk door de rapporteurs getrokken conclusies geen rol gespeeld omdat de verklaringen van appellante op die punten zijn gevolgd. De rol die de negenjarige dochter van de hoofdbewoner hierbij zou hebben gespeeld is, gelet hierop, niet relevant en kan dus buiten beschouwing blijven.

4.3.3.

Dat de controleurs de slaapkamerkast van de hoofdbewoner niet hebben onderzocht, maakt het rapport en de door hen getrokken conclusie niet ondeugdelijk, reeds niet omdat, bezien in het licht van alle feiten en omstandigheden, uit de aanwezigheid van enkele kledingstukken in een kast op een andere kamer niet zou hebben kunnen volgen dat appellante wel woonde op het opgegeven adres. Dat geldt evenzeer voor het niet bezoeken van de badkamer, nu appellante heeft verklaard dat zij van de doucheartikelen van anderen gebruikmaakte, en het wel bezoeken van de badkamer dus aan de conclusie niets had kunnen afdoen.

4.4.

Wat is overwogen in 4.2 tot en met 4.3.3 leidt tot de conclusie dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Nu het hoger beroep niet slaagt, en de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in stand blijven, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) K. de Jong

NK