Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4266

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
13-6185 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering studiefinanciering. Niet woonachtig op het GBA-adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6185 WSF

Datum uitspraak: 17 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

8 oktober 2013, 13/1503 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Arabaci, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2014. Voor appellant is

mr. Arabaci verschenen. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. K.F. Hofstee.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellant is - voor zover hier van belang - studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.

1.2.

Op 22 oktober 2012 hebben twee controleurs in opdracht van de Minister een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder appellant in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) is ingeschreven om te controleren of hij op dit adres woonachtig is. In de zolderkamer die als kamer van appellant werd aangewezen zagen de controleurs onder meer een wasmachine en een wasdroger, een wasrek met een strijkplank en een strijkijzer, een kledingkast, een onopgemaakt tweepersoonsbed, een niet aangesloten computer en huisraad. De administratie in de kledingkast zou volgens de verklaring van de echtgenoot van de hoofdbewoonster van zijn bedrijf zijn en de studieboeken van zijn zoon. Er konden geen persoonlijke spullen van appellant worden getoond. De bevindingen van het huisbezoek zijn neergelegd in een rapport Misbruik uitwonendenbeurs van 29 oktober 2012.

1.3.

De Minister heeft op basis van de onder 1.2 genoemde rapportage de aanvankelijk over 2012 aan appellant toegekende studiefinanciering bij besluit van 8 december 2012 herzien, in die zin dat appellant vanaf 1 januari 2012 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het tot en met november 2012 aan appellant te veel betaalde bedrag is daarbij van hem teruggevorderd.

1.4.

De Minister heeft het tegen het besluit van 8 december 2012 gemaakte bezwaar bij besluit van 1 februari 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe is gesteld dat uit het verrichte onderzoek is gebleken dat appellant niet woonde op zijn GBA-adres.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de bevindingen van het onderzoek voldoende feitelijke grondslag bieden voor het door de Minister ingenomen standpunt dat appellant niet woonde op zijn GBA-adres. De rechtbank heeft hierbij onder meer van belang geacht dat zich in de door de echtgenoot van de hoofdbewoonster getoonde zolderkamer, in het geheel geen persoonlijke spullen van appellant bevonden.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij geen toestemming heeft verleend om de woning en zijn kamer te betreden, zodat inbreuk is gemaakt op zijn huisrecht. De waarnemingen van de controleurs dienen daarom als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing te worden gelaten. Verder heeft appellant aangevoerd dat de controleurs niet in de juiste kamer hebben gekeken. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat hij wel op zijn

GBA-adres heeft gewoond en dat de intrekking van de uitwonendenbeurs met terugwerkende kracht tot 1 januari 2012 in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.

4. De Raad oordeelt als volgt, waarbij hij voor het wettelijk kader verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1.

Uit het rapport Misbruik uitwonendenbeurs van 29 oktober 2012 moet worden afgeleid dat de hoofdbewoonster, [X.], toestemming heeft verleend tot het betreden van de woning, nadat de controleurs zich hadden gelegitimeerd en het doel van het huisbezoek hadden uitgelegd. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 7 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1626) wordt, indien één bewoner van een woning toestemming tot binnentreden verleent, in beginsel geen inbreuk gemaakt op het huisrecht van de overige bewoners. Uit die toestemming kan het gerechtvaardigde vermoeden worden afgeleid dat de overige bewoners instemmen met dit binnentreden, behoudens voor zover het betreft de in die woning afzonderlijke en afsluitbare gedeelten, bestemd tot het exclusief woongebruik van die andere bewoners.

4.2.

Gelet op de woonsituatie op het GBA-adres van appellant was toestemming van de hoofdbewoonster voldoende voor het ten aanzien van appellant rechtmatig binnentreden in de woning. Dat geldt ook voor de als kamer van appellant getoonde zolderkamer, die, gelet op wat daar is aangetroffen en wat daarover is verklaard door de echtgenoot van de hoofdbewoonster, zeker op dat moment niet bestemd was tot (exclusief) woongebruik van appellant. Een en ander brengt dan ook mee dat wat op die kamer is waargenomen en wat daarover is verklaard, niet als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing behoeft te worden gelaten. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

4.3.

Appellant heeft weliswaar verklaard, maar op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de controleurs niet in de juiste kamer hebben gekeken. De controleurs hebben, gelet op het door hen kenbaar gemaakte doel van het huisbezoek, ervan uit mogen gaan dat de door de echtgenoot van de hoofdbewoonster getoonde zolderkamer de kamer van appellant betrof. Bovendien heeft appellant ter zitting van de rechtbank slechts verklaard dat hij wisselend boven en beneden sliep. Hij sliep in een kamer beneden, als de kleindochter van de echtgenoot van de hoofdbewoonster er was en zij sliep dan op zolder. Uit deze verklaring kan niet worden afgeleid dat de zolderkamer niet de juiste kamer was. Deze beroepsgrond slaagt daarom evenmin.

4.4.

De stellingen van appellant dat hij wel op zijn GBA-adres heeft gewoond en dat de intrekking van de uitwonendenbeurs met terugwerkende kracht tot 1 januari 2012 in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, vormen een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit oordeel berust volledig en maakt deze tot de zijne.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en J. Brand en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2014.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) B. Fotchind

MK