Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4261

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
14-4754 WMO-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Geen spoedeisend belang. Afwijzing aanvraag om toelating tot de maatschappelijke opvang. Verzoeker is gearresteerd vanwege een incident met dodelijke afloop in de zogenaamde Vluchtkerk te Amsterdam waar verzoeker toen verbleef. Verzoeker is vervolgens in voorlopige hechtenis genomen en ter observatie naar het Pieter Baan centrum overgeplaatst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4754 WMO-VV

Datum uitspraak: 17 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats 2] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (rechtbank) van

13 augustus 2014, 14/4141 en 14/4424 (aangevallen uitspraak). Voorts heeft

mr. Cerezo-Weijsenfeld een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2014. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Cerezo-Weijsenfeld. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.I. Algoe en mr. H. Joutay.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoeker, geboren[geboortedag] 1981, is afkomstig uit Somalië. Bij besluit van 7 oktober 2008 is aan hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 verleend, met ingang van 30 september 2008 en geldig tot

30 september 2013. Verzoeker heeft niet tijdig om verlenging van de verblijfsvergunning gevraagd. Bij besluit van 15 augustus 2014 is aan verzoeker alsnog voor de periode van 28 februari 2014 tot 28 februari 2019 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. In de periode van 30 september 2013 tot 28 februari 2014 is sprake van een zogenaamd verblijfsgat.

1.2.

Het college heeft bij besluit van 31 maart 2014 de aanvraag van verzoeker om toelating tot de maatschappelijke opvang, waaronder toelating tot de opvang aan de [Adres A.] in [woonplaats 2] (Vluchthaven), afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 16 juli 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 31 maart 2014 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Het verzoek om voorlopige voorziening strekt ertoe dat het college wordt opgedragen verzoeker hangende het hoger beroep per direct adequate opvang te bieden.

4.3.

Vaststaat dat verzoeker op 22 augustus 2014 is gearresteerd vanwege een incident met dodelijke afloop in de zogenaamde Vluchtkerk te Amsterdam waar verzoeker toen verbleef. Verzoeker is vervolgens in voorlopige hechtenis genomen. Ter zitting is toegelicht dat verzoeker onlangs voor observatie naar het Pieter Baan centrum is overgeplaatst. Gelet op deze omstandigheid acht de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang aanwezig de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2014.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) M.P. Ketting

IvR