Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:426

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-02-2014
Datum publicatie
14-02-2014
Zaaknummer
12-3083 MPW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Militair invaliditeitspensioen naar een mate van invaliditeit met dienstverband van 40%. De spier- en gewrichtsklachten vloeien niet voort uit dienstverband. Daarbij is mede van belang dat betrokkene geen medische stukken heeft ingebracht die aanknopingspunten zouden kunnen bieden voor een andere conclusie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3083 MPW, 13/6464 MPW

Datum uitspraak: 13 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

25 april 2012, 11/5657 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Defensie (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. W.B. Knook een verweerschrift ingediend.

Op 4 december 2013 heeft appellant een besluit van gelijke datum ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. Geldof van Doorn. Namens betrokkene is verschenen mr. Knook.

OVERWEGINGEN

1.

Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2012, 682) in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen in onder meer de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Beroepswet aangebracht. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 januari 2013.

1.1.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2.

Betrokkene was vanaf 1972 werkzaam bij het Ministerie van Defensie als auto- en vliegtuigspuiter. In 1987 is hij voor deze werkzaamheden uitgevallen vanwege diverse medische klachten. Nadien is vastgesteld dat bij betrokkene sprake is van een organisch psychosyndroom (OPS). Met ingang van 1 maart 1996 is betrokkene ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor het verder vervullen van de militaire dienst. Bij besluit van 26 mei 1998 is aan betrokkene met ingang van 1 maart 1996 een militair invaliditeitspensioen toegekend, berekend naar een mate van invaliditeit met dienstverband van 40%. Daarbij is een oorzakelijk dienstverband aangenomen met betrekking tot de met het OPS verband houdende psychische klachten.

1.3.

In 2008 heeft een herbeoordeling plaatsgevonden. Daarbij heeft betrokkene melding gemaakt van toegenomen spier- en gewrichtsklachten, urologische klachten en longklachten. Appellant heeft bij besluit van 20 mei 2009 het militair invaliditeitspensioen van betrokkene met ingang van 30 september 2008 herzien naar een mate van invaliditeit met dienstverband van 50%. Daarbij is vermeld dat dienstverband is aanvaard voor de aandoening van het centraal zenuwstelsel, zich onder meer uitend in psychische klachten en darmfunctiestoornissen. Verder is vermeld dat voor de bij betrokkene bestaande spier- en gewrichtsklachten, de aandoening van het urinewegstelsel en de longaandoening geen dienstverband wordt aanvaard. Bij besluit van 1 juni 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 20 mei 2009 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en appellant opgedragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellant in de beroepsfase, op advies van de verzekeringsarts, twee aanvullende expertiseonderzoeken heeft laten verrichten door respectievelijk een orthopeed en een uroloog. Volgens de rechtbank had appellant deze medische onderzoeken moeten laten uitvoeren vóór het nemen van het bestreden besluit en is dit besluit, nu dit is nagelaten, onzorgvuldig voorbereid. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat in diverse stukken uit de jaren ’90 melding wordt gemaakt van gewrichtsklachten en dat appellant bij besluit van 2 december 1999 heeft erkend dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens betrokkene door hem tijdens zijn werkzaamheden bloot te stellen aan oplosmiddelen. Volgens de rechtbank is in het bestreden besluit ontoereikend gemotiveerd waarom wat betreft de gewrichtsklachten geen dienstverband is aanvaard. Ook met betrekking tot de bij betrokkene bestaande blaasklachten is volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom geen dienstverband is aanvaard.

3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Appellant heeft bij het in beroep ingediende verweerschrift van 6 december 2011 aan de rechtbank meegedeeld dat twee expertiseonderzoeken in gang zijn gezet. Het beroep is vervolgens op 6 februari 2012 ter zitting behandeld. Op dat moment was betrokkene onderzocht door de uroloog M.T.W.T. Lock en waren er afspraken gemaakt voor een nader onderzoek door Lock op 17 februari 2012 en een onderzoek door de orthopeed M.J. van Haeff op dezelfde datum. Ter zitting is namens appellant meegedeeld dat door appellant bij de betrokken artsen desgewenst kan worden aangedrongen op een spoedige afwikkeling van de expertiseonderzoeken. De rechtbank heeft de rapporten van de onderzoeken echter niet afgewacht en is overgegaan tot vernietiging van het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Appellant heeft in hoger beroep terecht aangevoerd dat de rechtbank, mede uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting, de resultaten van de expertiseonderzoeken had moeten afwachten en bij haar oordeelsvorming had moeten betrekken. Daarbij wijst de Raad er op dat de desbetreffende rapporten ten tijde van de aangevallen uitspraak al gereed waren. De aangevallen uitspraak kan om deze reden geen stand houden.

3.2.

De longklachten waren al in beroep niet meer aan de orde. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van betrokkene te kennen gegeven dat betrokkene het standpunt dat (ook) met betrekking tot de urologische klachten een dienstverband moet worden aangenomen, niet langer handhaaft. In hoger beroep is dus uitsluitend met betrekking tot de spier- en gewrichtsklachten nog in geschil of daarvoor een dienstverband moet worden aangenomen.

3.3.

De Raad deelt niet het standpunt van betrokkene dat met het besluit van 2 december 1999 door appellant is erkend dat met betrekking tot de spier- en gewrichtsklachten dienstverband bestaat. Bij dit besluit heeft appellant erkend dat hij een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens betrokkene door hem tijdens zijn werkzaamheden chronisch bloot te stellen aan oplosmiddelen. Daaraan voorafgaand is vermeld: “Gedurende de bezwaarschriftenprocedure heeft de Uitvoeringsinstelling sociale zekerheid en onderwijs (USZO) namens de Staatssecretaris van Defensie bij besluit van 14 mei 1998 (referte D) een oorzakelijk dienstverband aanvaard tussen de klachten van uw cliënt en de blootstelling aan oplosmiddelen.”. Gezien de verwijzing naar het besluit van 14 mei (lees: 26 mei) 1998, waarbij uitsluitend met betrekking tot psychische klachten een dienstverband is aanvaard, moet onder “de klachten” worden verstaan: de psychische klachten. Niet kan worden vastgesteld dat bij het besluit van 2 december 1999 ook met betrekking tot de spier- en gewrichtsklachten een dienstverband is aanvaard. Evenmin kan worden aangenomen dat, zoals namens betrokkene is betoogd, het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 4 december 2013 een dergelijke erkenning inhoudt. Mede gezien de namens appellant ter zitting op dit besluit gegeven toelichting moet daarin het voorbehoud worden gelezen dat de grondslag aan het besluit komt te ontvallen als het hoger beroep slaagt dan wel als op basis van de in hoger beroep ingebrachte expertiserapporten moet worden geconcludeerd dat met betrekking tot de desbetreffende aandoeningen terecht geen dienstverband is aangenomen.

3.4.

In het rapport van medisch adviseur-verzekeringsarts I.P.L. Koperberg van 12 mei 2009 is vermeld dat wat betreft de spier- en gewrichtsklachten geen duidelijke diagnose kan worden gesteld. Mede omdat het al dan niet aannemen van dienstverband geen financiële consequenties heeft vanwege verdiscontering met de Wet WIA, heeft Koperberg een beschouwing van deze klachten achterwege gelaten. In de bezwaarfase heeft verzekeringsarts M. Blom, blijkens diens rapport van 13 januari 2011, deze benadering onderschreven. De Raad acht hiermee echter onvoldoende onderbouwd dat met betrekking tot de spier- en gewrichtsklachten geen dienstverband bestaat. Om die reden komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

3.5.

Vervolgens moet worden bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten. In het in hoger beroep door appellant overgelegde rapport van de orthopeed M.J. van Haeff van 21 februari 2012 is vermeld dat bij betrokkene sprake is van degeneratieve afwijkingen in beide AC-gewrichten en de laag lumbale wervelkolom, die niet in relatie staan met blootstelling aan oplosmiddelen. Volgens Van Haeff zou sprake kunnen zijn van een perifere neuropathie, hetgeen deels de pijnklachten in de benen zou kunnen verklaren. In hoeverre dit een relatie kan hebben met blootstelling aan oplosmiddelen, moet volgens Van Haeff primair door een neuroloog worden beoordeeld. Appellant heeft verder een rapport overgelegd van verzekeringsarts P.G. Verkerk van 23 april 2012. Daarin is wat betreft de door Van Haeff genoemde perifere neuropathie opgemerkt dat uit de verkregen informatie van de behandelend neuroloog D.J. Hofstee blijkt dat daarvan geen sprake is. De Raad heeft geen aanleiding gezien voor twijfel aan de bevindingen van Van Haeff, zoals deze zijn genuanceerd door Verkerk. Daarbij is mede van belang dat betrokkene geen medische stukken heeft ingebracht die aanknopingspunten zouden kunnen bieden voor een andere conclusie. De Raad deelt daarom het standpunt van appellant dat (ook) met betrekking tot de spier- en gewrichtsklachten geen sprake is van dienstverband. Gelet daarop zullen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten.

4.

Het besluit van 4 december 2013, dat is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, wordt op de voet van het bepaalde in de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Awb mede in de beoordeling betrokken. Uit het voorgaande volgt dat aan het besluit van

4 december 2013, dat is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, de grondslag is komen te ontvallen. Dit besluit zal daarom worden vernietigd.

5.

Er is aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 974,- aan kosten van rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, behalve de beslissingen over de vergoeding van het

griffierecht en de proceskosten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 juni 2010 gegrond en vernietigt dat besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 1 juni 2010 geheel in stand

blijven;

- vernietigt het besluit van 4 december 2013;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van

€ 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) O.P.L. Hovens

HD