Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4257

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
31-12-2014
Zaaknummer
14-1185 WIJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Intrekking en terugvordering bijstand. Door geen melding te maken van de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerij noch van de aanzienlijke kasstortingen, en hiervoor geen afdoende verklaring te geven, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. 2) Afwijzing nieuwe aanvraag. Appellant heeft wisselende verklaringen afgelegd over zijn woon- en verblijfplaats. Door de verklaringen van appellant is tijdens het onderzoek naar de aanvraag zoveel onduidelijkheid ontstaan omtrent de woonsituatie van appellant, dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op het door hem opgegeven adres woont.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/1185 WIJ, 14/1186 WWB

Datum uitspraak: 16 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 januari 2014, 13/1330 en 13/2638 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant]te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van [woonplaats] (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Wortel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2014. Voor appellant is

mr. Wortel verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P. van der Voorn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 1 januari 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant huurde met ingang van 14 februari 2012 een woning op het adres [Adres A.] te [woonplaats], op welk adres hij vanaf 28 februari 2012 tevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven stond.

1.2.

Op 20 augustus 2012 heeft de politie Utrecht in de woning van appellant een hennepkwekerij ontmanteld, waarbij onder meer 359 hennepplanten in beslag zijn genomen. Mede naar aanleiding hiervan heeft een handhavingsspecialist van het Team Handhaving van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling, Werk en Inkomen van de gemeente Utrecht (handhavingsspecialist) een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de handhavingsspecialist dossieronderzoek gedaan, informatie bij onder meer de woningbouwvereniging opgevraagd, en gebruik gemaakt van het door de politie opgemaakte proces-verbaal inzake de ontmanteling van de hennepkwekerij. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van

6 september 2012.

1.3.

Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen heeft het college bij besluit van

28 september 2012 de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2012 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 augustus 2012 tot een bedrag van € 7.150,66 van appellant teruggevorderd.

1.4.

Appellant heeft zich op 22 november 2012 gemeld voor het indienen van een aanvraag om bijstand. Daarbij heeft appellant als woonadres opgegeven [Adres B.] te [woonplaats], het adres van zijn ouders.

1.5.

Hangende het bezwaar tegen het besluit van 28 september 2012 en tijdens de hoorzitting heeft appellant - onder meer - kopieën van afschriften van zijn bankrekening overgelegd. Op deze bankafschriften zijn vanaf 14 februari 2012 meerdere kasstortingen van contante geldbedragen te zien, variërend van € 520,- tot € 1.000,-.

1.6.

Bij besluit van 17 januari 2013 (bestreden besluit 1) heeft het college - voor zover hier van belang - het besluit van 28 september 2012 deels herroepen en het recht op bijstand met ingang van 14 februari 2012 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 14 februari 2012 tot en met 31 augustus 2012 tot een bedrag van € 5.911,02 van appellant teruggevorderd. Aan dit besluit heeft het college - onder meer - ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de exploitatie van de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerij. Verder is gebleken van regelmatige kasstortingen op de bankrekening van appellant vanaf 14 februari 2012, waarvan appellant geen melding heeft gemaakt. De stelling dat appellant de woning zou hebben onderverhuurd, waarvan hij evenmin melding heeft gemaakt, heeft hij met geen enkel bewijsstuk aangetoond. Van de gestelde herkomst van de stortingen heeft appellant geen bewijsstukken overgelegd, zodat de herkomst van deze contante bedragen onduidelijk is gebleven. Als gevolg hiervan kan het recht op bijstand over de hiervoor genoemde periode niet worden vastgesteld.

1.7.

Naar aanleiding van de aanvraag om bijstand van appellant heeft de handhavingsspecialist een nader onderzoek ingesteld naar de woon- en verblijfsituatie van appellant. Appellant heeft als woonadres [Adres B.] opgegeven, terwijl hij in de GBA stond ingeschreven op het adres [Adres A.]. Op 25 januari 2013 heeft de handhavingsspecialist samen met een collega een onaangekondigd huisbezoek gebracht aan het adres [Adres B.]. Appellant heeft tijdens dit huisbezoek verklaard dat hij daar niet woont, maar overal en nergens bij vrienden slaapt. Op het door appellant op 30 januari 2013 ingevulde en ondertekende aanvraagformulier heeft appellant verklaard dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Tijdens het gesprek op 31 januari 2013 heeft appellant tegenover een medewerker van de afdeling Werk en Inkomen (medewerker) verklaard dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en dat hij op allerlei adressen verblijft. Appellant heeft verklaard dat hij op verschillende dagen in de week, gemiddeld drie dagen per week bij zijn ouders verblijft. Ook heeft appellant verklaard dat hij één of twee dagen per week bij een oom op het adres [Adres C.]te [plaatsnaam] verblijft en twee dagen per week bij [naam B.], waarvan hij het adres niet wist.

1.8.

Bij besluit van 31 januari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 april 2013 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag om bijstand van appellant van

22 november 2012 afgewezen. Aan de afwijzing ligt ten grondslag dat het college de feitelijke woonsituatie van appellant niet heeft kunnen vaststellen. Als gevolg daarvan is het recht op bijstand niet vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft daarbij - samengevat - het volgende aangevoerd. Hij is weliswaar de huurder van de woning aan de [Adres A.], maar heeft deze woning vanaf de ingangsdatum van de huurovereenkomst op 14 februari 2012 onderverhuurd. Appellant is niet betrokken geweest bij en heeft geen wetenschap gehad van de hennepkwekerij in deze woning. Appellant kan dan ook niet als (mede-)exploitant worden aangemerkt en heeft daarom niet de inlichtingenverplichting geschonden. De kasstortingen op zijn bankrekening houden hiermee verband, omdat appellant de huur contant van de onderhuurder kreeg en deze op zijn rekening heeft gestort. Ten aanzien van de afwijzing van de nieuwe aanvraag heeft appellant aangevoerd dat hij wel degelijk heeft aangetoond woonachtig te zijn op de [Adres B.]. Daarvoor zijn twee indicaties, te weten de vermelding van dit adres op het aanvraagformulier en de omstandigheid dat hij daar tijdens het huisbezoek is aangetroffen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Bestreden besluit 1: intrekking en terugvordering

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 14 februari 2012 tot en met 28 september 2012.

4.2.

Vaststaat dat op 20 augustus 2012 in de woning op het adres [Adres A.] een hennepkwekerij is aangetroffen. Eveneens staat vast dat appellant met ingang van 14 februari 2012 de huurder van deze woning was en steeds de huur heeft voldaan. Hij stond in de gehele te beoordelen periode in de GBA ingeschreven op dit adres.

4.3.

Het feit dat in de woning van appellant een hennepkwekerij is aangetroffen rechtvaardigt de vooronderstelling dat appellant daarvan de (mede)exploitant is geweest en dat de opbrengst (ook) hem ten goede is gekomen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de kwekerij niet zelf heeft geëxploiteerd of mede heeft geëxploiteerd en ook overigens in het geheel geen inkomsten uit of in verband met de kwekerij heeft ontvangen. De stelling dat hij de woning heeft onderverhuurd en dat de onderhuurder de hennepkwekerij buiten zijn medeweten is gestart, heeft appellant op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Appellant heeft bijvoorbeeld geen onderhuurovereenkomst of kwitanties van de huursommen overgelegd. Een verklaring van de gestelde onderhuurder ontbreekt eveneens. Daarbij komt dat aan de wel door appellant overgelegde kopie van een paspoort van de gestelde onderhuurder, geen gewicht kan toekomen omdat de daarop vermelde persoonsgegevens, zoals de gemachtigde van het college ter zitting heeft toegelicht, na onderzoek in Suwinet niet blijken te corresponderen met het daarop vermelde paspoortnummer. De enkele ontkenning van appellant is dan ook ontoereikend om aan te nemen dat hij niet in staat was de hennepkwekerij te exploiteren, of daarbij betrokken te zijn en dat hij geen wetenschap had van de exploitatie van de hennepkwekerij. Te meer nu appellant, zoals de gemachtigde van appellant ter zitting naar voren heeft gebracht, in de te beoordelen periode wel in de woning aan de [Adres A.] is geweest.

4.4.

Vaststaat verder dat op de bankrekening van appellant in de te beoordelen periode kasstortingen zijn gedaan van bedragen variërend van € 520,- tot € 1.000,- tot een bedrag van in totaal € 7.275,-.

4.5.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant ten aanzien van deze kasstortingen niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze betrekking hebben op de door hem ontvangen bedragen van de gestelde onderhuurder. Zoals in 4.3 al is overwogen, heeft appellant de gestelde onderhuur niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij komt dat een duidelijke samenhang tussen de gestorte bedragen en de door appellant betaalde huur ontbreekt. In de maand juni 2012 is bijvoorbeeld tweemaal een bedrag van € 1.000,- gestort. Ook de overige gestorte bedragen overstijgen de door appellant betaalde huur. Voor de eerst ter zitting namens appellant betrokken stelling dat hij ook van zijn zus wel eens contante geldbedragen ontving, heeft appellant nog geen begin van bewijs geleverd. Gelet hierop heeft appellant de herkomst van de kasstortingen niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt.

4.6.

Door geen melding te maken van de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerij noch van de aanzienlijke kasstortingen, en hiervoor geen afdoende verklaring te geven, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Dit rechtvaardigt de conclusie van het college dat het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet is vast te stellen.

Bestreden besluit 2: afwijzing nieuwe aanvraag

5.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 22 november 2012 tot en met 31 januari 2013.

5.2.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2010, ELCI:NL:CRVB:2010:BN2458) te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Voor een juiste toepassing van de WWB is het van essentieel belang dat er duidelijkheid bestaat over de woon- en verblijfsituatie van de belanghebbende. In het geval van een aanvraag om bijstand op grond van de WWB ligt het op de weg van de aanvrager om de nodige duidelijkheid te verschaffen over zijn woon- en verblijfplaats en zijn woonsituatie. Voldoet de belanghebbende niet aan zijn verplichting daarover juiste en volledige informatie te verschaffen, dan is dat een grond voor afwijzing van de aanvraag, omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

5.3.

Uit 1.7 volgt dat appellant wisselende verklaringen heeft afgelegd over zijn woon- en verblijfplaats. Tijdens het huisbezoek op 25 januari 2013 heeft appellant, anders dan op zijn aanvraagformulier, verklaard niet op het adres [Adres B.] te wonen. Tijdens het gesprek met de medewerker op 31 januari 2013 heeft appellant verklaard geen vaste woon- en verblijfplaats te hebben, gemiddeld drie dagen per week bij zijn ouders aan de

[Adres B.] te slapen, maar ook wekelijks een aantal dagen bij een oom in [plaatsnaam] en een aantal dagen bij een vriend, waarvan hij het adres niet meer weet, te verblijven. Door de verklaringen van appellant tijdens het onderzoek naar de aanvraag is zoveel onduidelijkheid ontstaan omtrent de woonsituatie van appellant, dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op het door hem opgegeven adres woont. Anders dan appellant heeft betoogd, heeft hij met het vermelden van het adres [Adres B.] op het aanvraagformulier en het feit dat hij daar is aangetroffen tijdens het huisbezoek, de onduidelijkheid omtrent zijn woonsituatie niet weggenomen.

6. Uit 4.6 en 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en M. Hillen en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2014.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) T.A. Meijering

HD