Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4249

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
31-12-2014
Zaaknummer
13-2987 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting. Deze kosten vloeien niet voort uit bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2987 WWB

Datum uitspraak: 16 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

19 april 2013, 12/4548 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vreeswijk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C. van Helvoort.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 2 mei 2012 bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd voor de kosten van woninginrichting.

1.2.

Bij besluit van 8 juni 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 augustus 2012 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat de gevraagde kosten niet voor verlening van bijzondere bijstand in aanmerking komen omdat deze niet voortkomen uit bijzondere omstandigheden. Vanaf het moment dat appellant inwonend was bij zijn broer heeft hij rekening kunnen houden met de kosten van woninginrichting als aan hem een nieuwe woning zou worden toegewezen. Het ontbreken van voldoende reserveringsruimte en de gestelde psychische situatie van appellant zijn geen reden om bijzondere bijstand te verstrekken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft het bijstandverlenend orgaan ingevolge deze bepaling een zekere beoordelingsvrijheid. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten, voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

4.2.

Niet in geschil is dat de kosten zich voordoen en die kosten in het individuele geval van appellant noodzakelijk zijn. Tussen partijen is in geschil of de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

4.3.

Als nadere uitwerking van het begrip bijzondere omstandigheden voert het college het in paragraaf 9.5.9 van de werkvoorschriften neergelegde beleid dat voor de kosten voor een verhuizing en woninginrichting bijstand kan worden verstrekt wanneer er sprake is van bijzondere medische of sociale redenen die een plotselinge verhuizing noodzakelijk maken, terwijl er geen beroep op een voorliggende voorziening mogelijk is.

4.4.

De beroepsgrond van appellant dat in zijn geval sprake was van bijzondere medische of sociale redenen die een plotselinge verhuizing noodzakelijk maakten als bedoeld in paragraaf 9.5.9 van de werkvoorschriften, slaagt niet. De omstandigheid dat aan appellant op 30 januari 2012 een urgentieverklaring is afgegeven, betekent niet dat reeds daarom sprake was van een plotselinge en onvoorzienbare verhuizing. Appellant heeft op 26 juli 2011 een aanvraag ingediend om voorrang te verkrijgen bij woningtoewijzing, zodat hij in elk geval vanaf die datum de gelegenheid had om te reserveren voor de kosten die daarmee verband houden. Appellant had ook al eerder kunnen voorzien dat hij zou gaan verhuizen en voor de daarmee verband houdende kosten kunnen reserveren. Uit de gedingstukken blijkt immers dat appellant vanaf zijn echtscheiding in 2009 in de kleine tweekamerwoning van zijn broer verbleef en waar hij op de bank sliep. Dat zijn psychische problemen een plotselinge verhuizing noodzakelijk maakten, heeft appellant onvoldoende met medische stukken onderbouwd. Uit de brief van de huisarts van 12 december 2012 en de rapportage van de verzekeringsarts van 2 januari 2013, opgemaakt in het kader van de Ziektewet, waarnaar appellant heeft verwezen, blijkt niet dat de psychische problematiek van appellant een acute verhuizing noodzakelijk maakte.

4.5.

De beroepsgrond dat het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsvereiste tot stand is gekomen, omdat aan de advocaat van appellant niet de stukken zijn toegezonden en de advocaat ook niet in de gelegenheid is gesteld om bij de hoorzitting aanwezig te zijn, slaagt evenmin. Uit de gedingstukken blijkt dat enerzijds door appellant en een medewerker van Mentrum, en anderzijds door de advocaat van appellant bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 8 juni 2012. Uit het verslag van de hoorzitting in bezwaar blijkt dat appellant - in het bijzijn van de medewerker van Mentrum - heeft verklaard dat hij zijn advocaat niet had verzocht om een bezwaarschrift in te dienen en dat hij zelf heeft verzocht de hoorzitting zonder zijn advocaat door te laten gaan. Dat appellant deze keuze vanwege zijn psychische situatie niet heeft kunnen overzien, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2014.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) C. Moustaine

HD